Organisatie - 5 juni 2008

Lectoren / Pionieren in praktijk en onderwijs

Hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) heeft sinds 2003 lectoren in dienst om de banden tussen hogeschool en praktijk aan te halen. Ze worden ingezet op terreinen die binnen de opleidingen aan vernieuwing toe zijn of die hot zijn in de beroepspraktijk. Het succes van een lector hangt af van zijn vermogen om belanghebbenden, onderwijs en geld bij elkaar te brengen.

Hans Hopster
Het concept van de lectoraten slaat in heel Nederland aan. Volgens een onderzoek van de Stichting Kennis Ontwikkeling hbo (SKO) dragen de lectoraten bij aan deskundigheidsbevordering, de onderwijsvernieuwing en de relatie met het beroepenveld. De HBO-raad heeft het budget voor de lectoraten onlangs vergroot en ook langs andere wegen komt er geld vrij. Adviescommissies uit de praktijk zijn enthousiast. Ook de VHL-lectoren doen het goed. Met zijn werkplaatsconcept, waarbij studenten en docenten met organisaties, overheden en bedrijven buiten de poorten van de school samenwerken aan projecten, ontving lector plattelandsvernieuwing Willem Foorthuis in 2006 de Innovatieprijs van de HBO-raad. De eerste werkplaats in het Drentse Annersveenschekanaal opende twee jaar geleden de deuren. Het idee werd eveneens uitgewerkt door waterlector André Jansen, die studenten van de Velpse opleidingen Land- en watermanagement, Bos- en natuurbeheer en Tuin- en landschapsinrichting samenbrengt in projecten met de provincie, waterschappen en natuurbeheerders op de Veluwe. Vernieuwend, want de opleidingen opereren traditioneel onafhankelijk van elkaar. Vrijwel alle lectoraten kunnen zich op succesvolle en interessante projecten beroepen. VHL verlengde vorig jaar de lectoraten die de eerste vier jaar erop hadden zitten en stelde nieuwe lectoraten in. De hogeschool wil bovendien meer bijzondere lectoren aantrekken, twee of drie per locatie.
Aannemer in onderzoek De lectoren halen projecten binnen die aansluiten op het onderwijs en tegelijkertijd geld en middelen genereren voor praktijkgericht onderzoek. Bovendien helpen ze de kwaliteit van het hogeschoolonderzoek verhogen. ‘Eigenlijk ben ik een soort aannemer in onderzoek’, zegt lector Welzijn van dieren Hans Hopster, die werkzaam is bij de Animal Sciences Group (ASG) van Wageningen UR. Inmiddels ontvangt zijn lectoraat bovenop het geld van SKO ook financiële steun van het ministerie van LNV. ‘Dierenwelzijn is booming. De interesse ervoor is het laatste jaar enorm toegenomen vanwege de maatschappelijke druk’, legt Hopster uit. Hij hecht sterk aan de samenwerking tussen ASG en VHL. ‘Het hbo-onderzoek is toegepast onderzoek en dat is precies waar ASG sterk in is. Er ligt een mooi huwelijk in het verschiet.’ Het is geen toeval dat Hopster werkzaam is bij ASG. Hogeschooldirectielid Martin Jansen: ‘In deze fase van de fusie met Wageningen UR is het wel goed om de verbinding te leggen met de onderzoeksgroepen.’ Ook Wim Timmermans, lector Groene leefomgeving van steden, komt uit de Wageningse vijver. Hij is verbonden aan het kennisinstituut voor groene ruimte Alterra. Timmermans zet vooral in op internationale projecten. ‘Ik ben nu met een aantal docenten bezig om Europese competenties te ontwikkelen voor docenten en studenten zodat ze op een goede manier Europa in kunnen. Studenten hebben behoefte aan Europese ervaring’, vertelt hij. Naast een project van Alterra over duurzaam groen in stedelijke gebieden in Europa is er een olievlek van aanpalende studentenprojecten ontstaan. Niet alleen bij de hogeschool, maar ook bij Wageningen universiteit en vanuit Polen, Engeland en Frankrijk. Timmermans: ‘Het is leuk als de Nederlandse studenten straks naar Montpellier of Warschau kunnen. Dat proberen we nu te realiseren.’
Star onderwijs De lectoren dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe minoren en majoren. Vanuit het EU-project Animal Welfare Quality Management heeft Hopster bijvoorbeeld een minor rond de onderbouwing van dierenwelzijnsclaims en certificering ‘het curriculum in kunnen fietsen’. De minor is nog wel voor verbetering vatbaar, meent Hopster. Daarmee stuit hij meteen op het onwrikbare karakter van de opleidingen. ‘Als het eenmaal vastligt, is het niet makkelijk meer in beweging te krijgen. Het onderwijs is vrij star. Een andere manier om projecten te doen is via stages en afstudeeronderzoeken. Maar studenten hebben een vrije keus, terwijl partijen buiten het onderwijs wel op enig moment iets opgeleverd willen krijgen.’ De strakke structuur zorgt er inderdaad voor dat je plannen goed in het onderwijs moeten passen, beaamt Timmermans, die vorig jaar aantrad als lector. ‘De concrete projecten die ik van tevoren bedacht had, heb ik laten vallen omdat ze niet in de logistiek pasten. Mijn globale ideeën zijn alsnog concreet geworden in projecten, die vaak ook weer een onverwachte wending namen. Die flexibiliteit moet je wel hebben.’ Maar er kan veel op de hogeschool en er heerst een open cultuur, vindt Timmermans. Toen hij begon, voerde hij eerst gesprekken met een stuk of veertig docenten en coördinatoren. ‘Ik wilde vooral weten waar hun energie zat. Als organisatie moet je proberen die energie te benutten. De ideeën komen dan vanzelf. Het is een waanidee dat mensen op scholen niet innovatief zijn.’ Toch is het niet altijd makkelijk om docenten mee te krijgen, zoals lector Plattelandsvernieuwing Willem Foorthuis ondervond. Om die reden was de verlenging van zijn lectoraat vorig jaar geen automatisme. ‘De verschillende taken van een lector zijn moeilijk in één persoon te verenigen. Foorthuis is visionair, ambitieus en heeft een sterk netwerk. Maar soms was het lastig voor de docenten om daarbij aan te haken’, legt directielid Jansen uit.
Doenersmentaliteit Foorthuis, die in de uitwerking van zijn regionale werkplaatsen steun krijgt van het ministerie van LNV en Wageningen UR, lijkt dus voor de troepen uit te lopen, al ziet hij het zelf anders. Volgens hem sloot zijn lectoraat Plattelandsvernieuwing inhoudelijk niet aan bij de gelijknamige opleidingen in Leeuwarden en Wageningen. ‘Verder hadden die opleidingen weinig instroom en zijn ze inmiddels stilgelegd. Er is wel nauw overleg met de docenten, maar zonder tijd, ruimte en een degelijke opleiding is het natuurlijk moeilijk om aansluiting te vinden. Daarom moeten we de opleiding upgraden en daar is budget voor nodig’, aldus Foorthuis. Daar werkt hij nu aan door een opleiding regionale transitie ‘als plattelandsvernieuwing nieuwe stijl’ te koppelen aan de werkplaatsen. Het budget dat uit de werkplaatsen vrijkomt, wil hij ook gebruiken om de opleidingen bij VHL komend jaar vorm te geven. Eigenlijk probeert Foorthuis van buiten naar binnen te opereren. Hopster daarentegen heeft het geluk dat zijn lectoraat Dierenwelzijn aanhangt tegen een grote opleiding: Diermanagement in Leeuwarden. ‘Je hebt ruimte om dingen te doen, er zijn altijd wel een paar docenten die iets willen en je hebt een grote kritische massa’, zegt Hopster. Of een lector succesvol is, hangt volgens de betrokkenen dus van veel dingen af. Essentieel is het vermogen te organiseren en enthousiasmeren, zowel binnen als buiten de hogeschool. Flexibiliteit is ook een vereiste in deze pioniersfunctie. Bovendien combineren veel lectoren een academische visie met een doenersmentaliteit, waardoor ze warmlopen voor het hoger beroepsonderwijs. Hopster vertelt dat hij tijdens zijn loopbaan gaandeweg doorkreeg dat je veranderingen in de praktijk niet bereikt met academisch onderzoek alleen. ‘Ik wil naar toepassingen toe en daarbij zijn hbo’ers belangrijke spelers. Als je hen iets kan meegeven, heb je wel wat bereikt.’
Lectoraten Om een brug tussen onderwijs en werkveld te slaan en nieuwe kennis in het onderwijscurriculum te brengen stelde de HBO-raad in 2001 de lectoraten in. Dat zijn onderzoeksgroepen van hogescholen die op maatschappelijk relevante terreinen verbindingen leggen met de praktijk en toegepast onderzoek. De lectoren zijn al werkzaam op een terrein dat interessant is voor de hogescholen en werken twee of tweeënhalve dag in de week voor de hogeschool. Momenteel worden in het groene onderwijs tien lectoraten bekostigd door de Stichting Kennis Ontwikkeling hbo (SKO), met geld van de ministeries van OCW en LNV. Vijf groene lectoren werken bij Van Hall Larenstein, dat daarnaast ook twee bijzondere lectoren in dienst heeft. Die worden gefinancierd door bedrijven of instellingen en werken meestal één of anderhalve dag bij de hogeschool. De VHL-lectoren zijn: Dr. André Jansen van de Unie van Bosgroepen, lector Integraal Waterbeheer en Ruimtelijke Inrichting in Velp; dr. Hans Hopster van de Animal Science Group, lector Welzijn van Dieren in Leeuwarden en Wageningen; Drs. Willem Foorthuis van het Keuning-Instituut, lector Plattelandsvernieuwing/Regional Development & Innovation in Wageningen en Leeuwarden; Drs. Arnold Dijkstra, senior adviseur bij Van Hall Larenstein Training & Consultancy, lector Voedselveiligheid in Leeuwarden en Wageningen; drs. Wim Timmermans van Alterra, lector Groene leefomgeving van steden in Velp; dr. Martin Baptist van Wageningen Imares, bijzonder lector Marine Ecosystems Management in Leeuwarden; dr. Maarten Nederlof van Kiwa Water Research, bijzonder lector Watertechnologie in Leeuwarden.

Re:ageer