Wetenschap - 1 januari 1970

Langzaam eiwit is efficiënter

Het lichaam gaat zuiniger om met eiwitten waarvan de aminozuren geleidelijk vrijkomen. Hoe ‘sneller’ het eiwit, des te minder profiteren de spieren, het immuunsysteem en de enzymen van de aminozuren in het eiwit, en des te meer aminozuren worden door het lichaam verbrand. Dat ontdekte dr. Jelmer Nolles tijdens zijn promotieonderzoek in een reeks proeven met ratten.

Spieren, het immuunsysteem en enzymen hebben aminozuren uit eiwitten nodig, maar aminozuren in hoge concentraties zijn ook giftig voor cellen. ‘De darmen splitsen eiwitten praktisch volledig in aminozuren’, zegt Nolles. ‘Via het bloed bereiken de aminozuren de lever en de andere weefsels. Voor alle weefsels geldt dat ze niet zijn opgewassen tegen hoge concentraties vrije aminozuren. Om zichzelf te beschermen proberen ze zoveel mogelijk aminozuren weer om te zetten in eiwitten, die niet giftig zijn, en de overblijvende aminozuren te verbranden.’
De mate waarin het lichaam aminozuren verbrandt wordt hoger naarmate de inname van eiwitten hoger is. Als het eiwitgehalte in voer extreem hoog is, dan kan de netto aanzet aan eiwit zelfs lager zijn dan bij een dieet met een lager eiwitgehalte.
Een andere factor die meespeelt is het type eiwit. Naarmate de darmen een eiwit sneller opsplitsen in aminozuren springt het lichaam minder efficiënt met de aminozuren om. ‘Een eiwit als caseïne uit zuivel is bijvoorbeeld een langzaam eiwit’, zegt Nolles. ‘Het vormt in de maag een wrongel die in de darmen langzaam oplost. Eiwitten in soja en eieren zijn daarentegen snel-splitsende eiwitten, die zorgen voor een snelle toename van de concentratie aminozuren in het lichaam. Het allersnelst zijn uiteraard de vrije aminozuren in supplementen.’
Het is overigens al langer bekend dat vetten in een maaltijd ervoor zorgen dat aminozuren minder snel vrijkomen in het lichaam.
De ratten waarmee Nolles experimenteerde bleken zich te kunnen aanpassen aan een regime met veel vrije aminozuren. Ratten op een dieet waarbij de eiwitten waren vervangen door vrije aminozuren moesten een groter deel van de aminozuren oxideren. Maar na vijf dagen daalden de oxidatieve verliezen, en na drie weken was die op het niveau van ratten die standaardvoer kregen. ‘De darmcellen namen steeds minder snel aminozuren op’, zegt Nolles. ‘Het is waarschijnlijk een beschermingsmechanisme.’
‘Het maakt weinig uit of je die aminozuren los inneemt of samen met eiwitten’, vervolgt Nolles. ‘In het bloed van proefdieren die zowel eiwitten als aminozuren krijgen zie je eerst een snelle toename van het toegevoegde aminozuur, en daarna pas een stijging van de gesplitste aminozuren de eiwitten.’
Cellen verbranden de vrije aminozuren sneller dan de aminozuren uit de eiwitten, ontdekte Nolles – ook als proefdieren die eiwitten en aminozuren tegelijkertijd hebben binnen gekregen. ‘Wat de cellen doen met de vrije aminozuren zegt dus weinig over het lot van de aminozuren uit de eiwitten’, aldus Nolles. ‘Onderzoekers gebruiken vaak gelabelde vrije aminozuren als ze eiwitten onderzoeken. Ze voegen die aminozuren toe aan het voer van hun proefdieren, en volgen ze door het lichaam. Uit mijn onderzoek blijkt dat die methode niet deugt.’ Wat wel werkt is het labelen van aminozuren ín eiwitten, aldus Nolles.
Tenslotte onderzocht Nolles of voeding die het lichaam aanzet tot het aanmaken van meer insuline of groeihormoon de efficiëntie van eiwitten kan verhogen. Dat was niet het geval. / WK

Jelmer Nolles promoveerde op 9 januari bij prof. Martin Verstegen, hoogleraar Diervoeding.

Re:ageer