Organisatie - 12 juni 2008

Landschapsopleiding niet internationaal genoeg

De Nederlandse opleidingen voor tuin- en landschapsarchitecten zouden meer internationaal georiënteerd moeten zijn en beter gebruik moeten maken van de ervaringen van ontwerpers in de praktijk. Dat bleek tijdens het evenement Emeriposium, op vrijdag 6 juni bij Van Hall Larenstein in Velp. ‘De Nederlandse landschapsarchitectuur is compleet gescript voor het deltalandschap.’

Een groot publiek van docenten, studenten en mensen uit het vakgebied is toegestroomd en luistert in de schaduw van de bomen op landgoed Larenstein naar de vier bekende ontwerpers die hun visie geven op hun vak en hun wensen ten aanzien van de opleidingen. De middag is georganiseerd voor scheidend hogeschooldocent Michiel den Ruijter. Den Ruijter blijft als emeritus verbonden aan de opleiding Tuin- en Landschapsarchitectuur in Velp.
Voor ‘plantenman’ Piet Oudehof, die in een wereldniche opereert met zijn gelaagde ontwerpen van gecontroleerde wildernis, was zijn opleiding vooral een hindernis die hij wel moest nemen om aan de slag te kunnen blijven als zelfstandig tuinarchitect, een titel die in zijn beginjaren vrij gevoerd mocht worden. ‘Laat veel dingen zien in de opleiding’, luidt zijn korte advies, zodat studenten kennismaken met de verschillende mogelijkheden.
Ook ‘rebel with a cause’ Eelco Hooftman, die in Edinburgh woont en werkt, meent weinig aan zijn opleiding te hebben gehad. Hooftman is bekend door zijn kunstzinnige en avantgardistische ontwerpen. Hij leerde in Wageningen niets over het ontwerp, vindt hij, maar vooral over de op de Nederlandse situatie gerichte lagenbenadering. ‘De Nederlandse landschapsarchitectuur is compleet gescript voor het deltalandschap’, stelde hij. ‘Daardoor is de discipline niet internationaal genoeg georiënteerd, want in Schotland en Engeland heb je heel andere kennis nodig.’ Hooftman pleit voor een aparte, internationaal georiënteerde Nederlandse school voor tuin- en landschapsarchitecten, die de concurrentie aankan met een instituut als Harvard.
De kritische houding van Hooftman stond in scherp contrast met de aanpak van de ‘Wageningse landschapsingenieur’ Rik de Visser. ‘Ik heb de Wageningse opleiding eigenlijk nooit meer losgelaten’, zei De Visser. Volgens hem kan landschapsarchitectuur bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan maatschappelijke vraagstukken, zoals de klimaatverandering.
Michael van Gessel, ‘de liefdevolle ontwerper’, creëert rust en ruimte in landschappen en zoekt de balans. Volgens hem moet het onderwijs niet worden overschat. ‘De studie legt de basis.’ Van daaruit kun je veel richtingen uit, zoals ook blijkt uit het werk van de vier totaal verschillende ontwerpers. De praktijkkennis van de ontwerpers blijkt nauwelijks te worden gebruikt binnen de onderwijsinstellingen. Dat zijn gesloten instituten, vindt Van Gessel, die nog nooit is gevraagd om een les te geven of een lezing te houden.

Re:ageer