Wetenschap - 1 januari 1970

Landschapskwaliteit hoger bij biologische landbouw

Landschapskwaliteit hoger bij biologische landbouw


Biologisch boeren levert een betere landschapskwaliteit op dan gangbare
landbouw. Dat lezen ir Karina Hendriks en ir Derk Jan Stobbelaar met de
door hen ontworpen methode af aan het landschap bij dertig bedrijven in
Waterland, West-Friesland en Drenthe. Volgens de twee promovendi zorgt
boeren volgens de biologische richtlijnen bijna onbewust voor meer
landschapskwaliteit.

Biologische bedrijven scoren in het onderzoek van Hendriks en Stobbelaar
gemiddeld beter op landschapskwaliteit, alhoewel ertussen individuele
bedrijven wel verschillen zijn. ,,Het is een beetje een open deur'',
vergoelijkt Stobbelaar bijna de conclusies, want het klinkt wel erg logisch
dat biologische landbouw beter is voor het landschap. Toch is het onderzoek
dat hij samen met Hendriks uitvoerde het eerste dat zich specifiek richt op
de gevolgen van de landbouwpraktijk voor de kwaliteit van het landschap.
De verschillen tussen de biologische en gangbare bedrijven zijn volgens de
promovendi voor een groot deel te verklaren door de biologische richtlijnen
die bioboeren volgen. Die zorgen ervoor dat biologische boeren vaak meer
gewassen telen en hun bedrijf meer aanpassen aan de omstandigheden, en
daarmee aan het landschap. Gangbare boeren doen vaak bewust iets voor het
landschap, via milieuvriendelijk boeren of natuurbeheer, maar bij
biologische boeren zijn zulke zaken volgens de onderzoekers verweven met
het hele bedrijf.
Vooral de seizoensinvloeden zijn in het landschap rondom biologische
bedrijven beter zichtbaar dan rondom gangbare bedrijven, maar in elke regio
die Hendriks en Stobbelaar onderzochten zijn de verschillen ook anders. In
West-Friesland is de variatie aan gewassen bij biologische boeren groter.
De gangbare tuinbouwbedrijven in West-Friesland verbouwen voornamelijk
kool, terwijl biologische boeren ook granen, pompoenen en witlof op het
land hebben staan. In Drenthe onderscheiden de biologische boeren zich door
grotere en meer gevarieerde landschapselementen als houtwallen en
slootranden. In Waterland doet de biologische bedrijfsvoering minder
afbreuk aan het cultuurhistorische landschap.
Hendriks en Stobbelaar ontwikkelden een methode waarmee het landschap als
het ware leesbaar wordt. Door met vier perspectieven naar het landschap te
kijken - via de verticale samenhang van natuurlijke aspecten, de
horizontale samenhang van de verschillende landschapsfuncties, de
seizoensinvloeden en de historische samenhang - ontstaan zo'n veertig
parameters die in de verschillende regio's gebruikt kunnen worden om
landschapskwaliteit te duiden. De leesmethode kan volgens hen in de
toekomst gebruikt worden om groene diensten die boeren leveren, zoals
landschapsbeheer en agrarisch natuurbeheer, te kunnen evalueren. |
M.W.
Karina Hendriks en Derk Jan Stobbelaar promoveerden op 21 mei bij
hoogleraar Landgebruiksplanning prof. Arnold van der Valk.

Re:ageer