Wetenschap - 1 januari 1970

Landbouwuniversiteit geplaagd door identiteitsvraag

Landbouwuniversiteit geplaagd door identiteitsvraag

Landbouwuniversiteit geplaagd door identiteitsvraag

Tot vijftien jaar geleden kon het aantal leerstoelen en het personeelsbestand op de Landbouwuniversiteit onbekommerd uitdijen. Sinds die tijd probeert de universiteit het personeelsbestand weer in te krimpen. Dat valt niet mee, want er is nooit overeenstemming geweest over de vraag wat nu eigenlijk de core business van een universiteit moet zijn. Van LH waarheen? naar Krachtig op Koers


Het recente ondernemersplan Krachtig op Koers schokte de Wageningse gemeenschap door de forse ingreep in het aantal hoogleraren en personeelsleden op de Landbouwuniversiteit. Toch is dit niet de eerste grote ingreep, zo blijkt uit het boek De geschiedenis van de Landbouwuniversiteit van dr Jan van der Haar en uit oude universiteitskranten. Opvallend bij zowel dit plan als bij alle vorige plannen is bovendien de voortdurende discussie over de kerntaken van de universiteit. Elke bezuinigingsronde riep opnieuw discussie op over het belang van de basiswetenschappen, over het belang van de sociale wetenschappen en - later - over het belang van de milieuwetenschappen

In 1937 telde de Landbouwhogeschool 37 leerstoelen. Tien leerstoelen waren basiswetenschappen, zoals scheikunde, wiskunde en erfelijkheidsleer. Vijf leerstoelen waren sociaal-wetenschappelijk en 23 leerstoelen waren technische leerstoelen, gericht op de teelt, bosbouw en cultuurtechniek (zeventien stoelen), de landschaps- of tuinarchitectuur (vier) en de voedselverwerking (twee)

Na de Tweede Wereldoorlog kwam er flink wat extra geld vrij voor de Landbouwhogeschool. De Nederlandse regering hoopte met agrarische productie de economische positie van Nederland te verbeteren, en daartoe wilde ze het landbouwonderwijs en -onderzoek uitbreiden en intensiveren. In 1961 kwam de commissie Koningsberger met een toekomstvisie die het beleid diepgaand zou beïnvloeden. De commissie achtte de opleiding tot fundamenteel onderzoeker aan de Landbouwhogeschool onvoldoende, en pleitte voor een versterking van de basiswetenschappen. Natuurlijk, zo erkende de commissie tegenover critici die een opleiding voor generalisten wilden, de meeste studenten vinden een baan waarbij ze wetenschap moeten toepassen en niet zelf wetenschap hoeven te bedrijven. Maar er komt steeds meer behoefte in Nederland aan landbouwkundig onderzoekers; kijk naar de uitbreiding van de landbouwkundige instituten. En bovendien, vond de commissie, een ingenieur met een fundamenteel wetenschappelijke opleiding kan wel wetenschap toepassen, maar zonder fundamenteel wetenschappelijke opleiding kun je geen onderzoeker worden

Afvalwaterreiniging

Zo kreeg de Landbouwhogeschool na 1965 extra stoelen voor fundamenteel natuurwetenschappelijke disciplines, zoals de biochemie, de moleculaire biologie en de bio-organische chemie. Daarnaast wilde de commissie een verdere versterking van de sociale wetenschappen. Er moest een leerstoel voorlichtingskunde komen, een extra stoel economie en een hoogleraar marktkunde. De commissie Koningsberger had ook oog voor nieuwe technologische trends. Ze pleitte voor een hoogleraar in de levensmiddelentechnologie, in de ecologie en in de tropische bodemkunde

Onlangs is in Wageningen een hoogleraar afvalwaterreiniging benoemd, zo schreef in 1965 de toenmalige directeur landbouwonderwijs ir Peter van der Schans in De Boerderij. Men kan zich afvragen waar de grens ligt. Ik geloof dat we ons daarover bij de krachtige expansie van mogelijkheden aan de Landbouwhogeschool niet te veel zorgen behoeven te maken, zolang wordt voldaan aan een reële maatschappelijke behoefte. (....) Overal waar men zich beperkt tot de landbouw in enge zin loopt men vast. De ontplooiingsmogelijkheden voor de studerenden worden te zeer aan banden gelegd, waardoor men te weinig studerenden krijgt.

Pas na 1973 veranderde heel langzaam het klimaat: het ministerie van Landbouw ging bezuinigen. Voor het eerst moest de vraag worden gesteld wat echt essentieel is voor een landbouwuniversiteit. Onder de naam LH waarheen? startte een vijf jaar lange discussie die uitmondde in een tussenrapport; een eindrapport is er nooit gekomen

De voorstanders van de zogeheten Wageningse aanpak vonden dat de LH gericht moest zijn op conclusies, aanbevelingen en oplossingen. De Wageningers zouden moeten bijdragen aan verbetering in de beheersing van de natuur en de sociale systemen. Het weten om iets te doen moest centraal staan, en niet het weten om het weten. Op wetenschappelijke wijze moesten ze de problemen van de aandachtsgebieden consumptie, productie en omgeving oplossen

Wartaal

Tot de tegenstanders behoorde prof. dr Ab van der Woude, hoogleraar Agrarische geschiedenis. De wetenschapsbeoefening aan de LU moet worden bepaald door de internationale voortgang der wetenschap, zo betoogde hij, en niet door criteria als productie, consumptie en omgeving. De suggestie dat met zulke criteria een samenhangend en verantwoord beleid kon worden uitgestippeld achtte hij wartaal uit de jaren zeventig. LH waarheen?, schreef hij in 1978 in het hogeschoolblad: Nergens heen! Gewoon de wetenschap achterna. Aan het werk. Snel. Nu gaat het nog....

Nog tot begin jaren tachtig bleef de LUW doorgroeien. Het ene deel van de nieuw aangestelde hoogleraren dook de diepte in, richting de moleculen. Het andere deel verkende met hulp van computermodellen de breedte, richting natuur en milieu. Pas in 1987 werd het echt ernst. Voor het eerst kwam het college van bestuur met een drastisch plan om te snoeien in het zich maar uitdijende personeelsbestand. Over de hele linie moesten vakgroepen personeel inleveren, maar het hardst getroffen werden de sectoren Landinrichting en milieu en Landbouw en samenleving. Het college vond dat het brede taakveld landbouw een begrenzing moet vormen voor de activiteiten

De reacties in 1987 vertoonden een opmerkelijke gelijkenis met die op het ondernemingsplan in 1999. Personeelsleden, de faculteitsraad en studenten verweten het college geen visie te hebben op de universiteit en ondemocratisch te beslissen; de universiteit was volgens de critici geen bedrijf. Na een openbaar debat, afgedwongen door de Wageningse Studentenorganisatie, werd de soep niet zo heet gegeten als hij werd opgediend. Toch hebben een aantal groepen toen flink moeten inleveren. Zo werden de vakgroepen Wonen en Psychologie opgeheven; die hoorden niet tot het brede taakveld landbouw. Ook bij de cultuurtechnici vielen flink wat spaanders

Pensioen

In 1995 ging er weer een schok door de universiteit: van de 110 leerstoelen moesten er zo'n twintig verdwijnen. De pijn viel uiteindelijk mee. Het college koos op twee basiswetenschappen na - Diertaxonomie en Geologie - voor de vacante leerstoelen en voor de leerstoelen waarvan de hoogleraar bijna met pensioen ging. Bij die vacante leerstoelen zaten nogal wat dubbele leerstoelen, omdat juist rond 1970 veel disciplines een extra hoogleraar mochten aanstellen om de studententoeloop op te vangen

Al met al is de LUW, wanneer het ondernemingsplan is uitgevoerd, deels terug bij de situatie van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Voor de meeste basiswetenschappen, zoals scheikunde, wiskunde, sociologie en erfelijkheidsleer, is straks nog maar oon hoogleraar. Datzelfde geldt voor verschillende teeltwetenschappen zoals plantenveredeling en fytopathologie. Ook daar haalt het ondernemingsplan de verdubbelingen eruit, voor zover dat in 1995 nog niet is gebeurd. Zijpaden als Wonen, Psychologie, Diertaxonomie en Onderwijskunde zijn niet meer te bewandelen. De verhouding basiswetenschappen en technische wetenschappen is weer ongeveer als vroeger. Speciale aandacht voor de kleine boer, ook een item in de jaren zeventig, is er slechts bij een enkele hoogleraar. Dat was, voor zover bekend, in 1937 niet anders

Maar er zijn ook veranderingen doorgevoerd die nu definitief tot de core business lijken te horen. In 1937 had de universiteit nog 37 leerstoelen met oon bijzondere leerstoel. Straks zijn er zeventig leerstoelhouders plus enkele tientallen bijzondere en 0,0-leerstoelhouders om snel de nieuwe trends op te pikken. Verder heeft het fundamentele onderzoek nog nooit zo dicht tegen het bedrijfsleven aanschurkt en is de aandacht voor natuur en milieu, en zelfs voor biologische landbouw, niet meer weg te denken


Foto Guy Ackermans

Re:ageer