Organisatie - 8 november 2007

Landbouw mag weer

Landbouw in ontwikkelingslanden zat bijna een kwart eeuw lang in het verdomhoekje. Internationale donoren gaven hun geld liever uit aan onderwijs en gezondheidszorg. In het World Development Report 2008 spreekt de Wereldbank echter weer over landbouw als motor voor ontwikkeling. Reden voor voorzichtig optimisme in de Wageningse wandelgangen.

94_achtergrond0.jpg
94_achtergrond0.jpg

Foto: Wereldbank

Wie zich bezighoudt met de landbouw in ontwikkelingslanden, kon jarenlang niet rekenen op veel bewondering van anderen in het wereldje van de internationale samenwerking. Onderwijs, gezondheidszorg, de strijd tegen aids of tegen corruptie en slecht bestuur waren jarenlang veel sexyer dan zoiets basaals als de ontwikkeling van het platteland. Onder economen had de landbouw een kwade reuk door het Europese landbouwbeleid met haar subsidies en overschotten. En donoren trokken niet veel geld uit voor landbouwontwikkeling, ondanks het feit dat drie op de vier armen op het platteland wonen. Bovendien waren de nationale overheden van veel ontwikkelingslanden buiten Azië niet scheutig met geld voor de landbouw, geneigd als ze zijn om te kiezen voor de stedelijke elite waar hun machtsbasis ligt.
Maar er lijkt iets te veranderen in het imago van de landbouw als armoedebestrijder. En dat is reden voor een opgewekte stemming in de gangen van Wageningen International en andere onderdelen van Wageningen UR die iets van doen hebben met ontwikkelingssamenwerking. Mijlpaal van de kentering is het nieuwe World Development Report 2008 van de Wereldbank, dat vorige maand uitkwam en waarin de bank, als toonaangevende instelling op dit gebied, aangeeft waar de inspanningen zich het komende jaar op moeten richten. Een kwart eeuw lang liet de Wereldbank de landbouw links liggen. Maar nu draagt het jaarlijks uitkomende rapport de titel Agriculture for Development.

Koerswijziging
De hernieuwde aandacht voor landbouw kan een koerswijziging in de ontwikkelingssamenwerking inluiden. En dat kan gepaard gaan met meer financiering voor onderzoek van Wageningen UR op dit gebied. Nienke Beintema, die werkt voor het International Food Policy Research Institute en gestationeerd is bij Wageningen International, heeft dat al gemerkt. In het World Development Report wordt onderzoek van haar aangehaald waarin ze in kaart bracht welke investeringen landen doen in landbouwonderzoek. Ze stelde vast dat grote landen als China en India recentelijk veel meer geld aan landbouwonderzoek zijn gaan besteden. Afrikaanse landen blijven daarbij achter. Voor haar eigen onderzoek kreeg Beintema de afgelopen jaren maar moeizaam middelen op tafel. Maar nu landbouw in de lift zit, kreeg ze opdracht om ook in de toekomst de trends in investeringen in landbouwonderzoek te blijven volgen.
Het landbouwrapport van de Wereldbank komt niet uit de lucht vallen. Al tijdens de duurzaamheidstop van de Verenigde Naties in Johannesburg in 2002 werd gevraagd om meer aandacht voor de landbouw als motor van ontwikkeling. Ook de G8 en Nepad, de organisatie van Afrikaanse overheden voor economische ontwikkeling, schoven de landbouw naar voren als basis van zich ontwikkelende economieën.
Acties als Live Aid waren daarna de opmaat voor een serie beleidsrapporten waarin de landbouw meer waardering kreeg dan voorheen, zoals het VN-rapport Halving the hunger: it can be done. De beleidsvisies van de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) en het Britse ministerie van ontwikkelingssamenwerking besteedden opvallend veel aandacht aan landbouw, evenals het rapport voor de VN van de InterAcademy Council waar universiteitshoogleraar Rudy Rabbinge aan meewerkte. Ook emeritus prof. Arie Kuyvenhoven droeg een steentje bij, onder andere door te lobbyen in Den Haag en bij de Wereldbank, en door in zijn afscheidsrede te wijzen op onderzoek waaruit blijkt dat één procent economische groei in de landbouw leidt tot tweeëneenhalf procent groei in het inkomen van de armsten. De bijdrage van andere sectoren aan de laagste inkomens is veel kleiner.

Rurale bedrijvigheid
Bij de Nederlandse ministeries lijkt ondertussen ook iets te veranderen. Het thema landbouw staat weliswaar niet prominent in de beleidsbrief ‘Een zaak van iedereen’ van 16 oktober, waarin minister van Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders uitlegt waar zijn prioriteiten de komende jaren liggen. Maar hij heeft ‘rurale bedrijvigheid’ recent wel genoemd als belangrijke pijler voor ontwikkeling. En binnenkort komt de minister met een nieuwe landbouwvisie naar de Kamer, zegt Frits van de Wal van de directie duurzame economische ontwikkeling van het ministerie van Buitenlandse zaken. Bij het opstellen van die visie werden ook Nederlandse ontwikkelingsorganisaties en Wageningen International betrokken.
Met zoveel hernieuwde aandacht lijkt de vraag niet langer óf landbouw van belang is voor ontwikkeling, maar wát voor landbouw van belang is voor ontwikkeling. De landbouw die de Wereldbank op de agenda zet is gericht op export naar welvarender afzetmarkten. Het World Development Report schetst in haar eerste zinnen een beeld van een arme Afrikaanse vrouw die gebogen onder de zon met een hak haar sorghum wiedt, met haar baby in een doek op de rug gebonden. Zij is gevangen in armoede omdat ze afhankelijk is van de magere opbrengst van de zelfvoorzienende landbouw. Anderen, vervolgt het rapport, zijn aan de armoede ontsnapt door aansluiting te zoeken bij de markt. Bijvoorbeeld door zich aan te sluiten bij producentenorganisaties en contracten te sluiten met exporteurs en supermarkten in het westen om zo hun groenten te exporteren. De Wereldbank ziet vooral die exportketens als poort tot ontwikkeling. Daarom wil de bank bijvoorbeeld boerenorganisaties steunen.
Dat wil niet zeggen dat de Wereldbank geen woorden besteedt aan het verstandig beheren van natuurlijke hulpbronnen, aan de gevolgen van klimaatverandering voor arme boeren, aan de achtergestelde positie van vrouwen en aan het belang van een sterke staat om het falen van de markt te corrigeren. Maar het World Development Report 2008 is wel optimistisch over de zegeningen van de vrije markt.

Lokale voedselvoorziening
Té optimistisch, stellen eenentwintig Nederlandse organisaties die in het voorjaar een reactie op het rapport opstelden. Samen met Oxfam, ICCO en Agri-ProFocus nam Wim Andriesse van Wageningen International daartoe het initiatief. ‘We zijn erg gelukkig met de hernieuwde nadruk op landbouw. En wij zijn het er mee eens dat ketens kunnen bijdragen aan ontwikkeling. Maar er is een kanttekening. Want lang niet iedereen kan leveren aan ketens. Er is een groot gevaar dat de Wereldbank ketens te veel als enige focus ziet. Als je dat doet laat je de grote groep kleine boeren zitten die niet aan exporteren toekomt. Maar die zorgen wel voor de directe lokale voedselvoorziening en beheren de natuurlijke hulpbronnen. Je rekent dan alleen met de succesvolle boer die in staat is zich te organiseren en te voldoen aan de kwaliteitseisen van ketens.’
Wim Andriesse heeft ook een boodschap voor de Nederlandse ministeries naar aanleiding van het rapport van de Wereldbank. ‘Beleid moet coherenter worden, wat wil zeggen dat de ministeries dezelfde doelen moeten nastreven. Het is dan ook goed om te zien dat LNV en DGIS daaraan werken en samen afwegingen maken tussen de belangen van de Nederlandse landbouwsector en die van kleine boeren in ontwikkelingslanden.’ Verder concludeert Andriesse dat beide ministeries meer gebruik kunnen maken van sterke punten van Nederland als het gaat om bijdragen aan landbouwontwikkeling in het zuiden. Pleitend voor eigen parochie: ‘Landbouwonderzoek en de opbouw van capaciteit door onderwijs leveren veel winst op voor de landbouw in ontwikkelingslanden. Daar moet meer in geïnvesteerd worden.’

Op maandag 17 december bespreekt Koenders in Nieuwspoort in Den Haag het World Development Report 2008 met Alain de Janvry, hoofdauteur van het rapport. Op dinsdag 18 december komt het team van opstellers van het WDR in Wageningen voor een expert meeting. Zie: www.agri-profocus.nl, Agriculture for development, the Dutch way.

Re:ageer