Wetenschap - 19 september 2002

LS: Wetenschapswinkel (1)

LS: Wetenschapswinkel (1)

Via een van de vele contacten die ik in Wageningen nog heb, vernam ik van het voornemen de Wetenschapswinkel op te heffen per januari aanstaande. Ik ben daar erg van geschrokken. Ik heb sinds mijn afstuderen in 1996 al enige malen met de Wetenschapswinkel mogen samenwerken. Ik kom tijdens het werk voor mijn adviesbureau klanten tegen met problemen bij een ondefinieerbare en onbereikbare, maar weliswaar grote achterban.

Het is onmogelijk deze mensen te mobiliseren gezamenlijk een bedrag op tafel te leggen voor een grondig en langdurig project dat wordt uitgevoerd door ons bedrijf. Als voorbeeld wil ik noemen de gebruikers van de veren over de Bergsche Maas tussen Den Bosch en Geertruidenberg, die werden geconfronteerd met rigoureuze overheidsmaatregelen inzake het tarief en de bedieningstijden. Onze contacten met de Wetenschapswinkel hebben voortrekkers uit de regio in staat gesteld samen te werken met een interdisciplinaire groep professoren en studenten. Onder begeleiding van de Wetenschapswinkel is een prachtig integraal onderzoek verricht naar de werkelijke effecten van de overheidsmaatregelen, waardoor de regio tot op heden de wijzigingen heeft kunnen voorkomen.

Dit voorbeeld laat zien hoe belangrijke, maar ongrijpbare en daardoor niet kapitaalkrachtige groepen uit de samenleving wetenschappelijke kennis kunnen benutten. Iets wat moet worden behouden door een organisatie in stand te houden die door de vele bomen in Wageningen het bos nog weet te vinden.

Ir. Stan Gloudemans, Optifield v.o.f.

Wetenschapswinkel (2)

Er bestaat een gerede kans dat de Wetenschapswinkel verdwijnt bij de reorganisatie van het Bestuurscentrum; de Kenniseenheden geven 'niet thuis'. De Wetenschapswinkel is ooit opgericht om als doorgeefluik van wetenschappelijke kennis te fungeren tussen Universiteit en maatschappelijke groeperingen die door hun geringe budget anders van deze kennis verstoken zouden blijven. Dankzij een eigen budget en enkele ge?ngageerde co?rdinatoren kan de Wetenschapswinkel onderzoek (als afstudeervak of kort project) uitzetten bij onderzoeksgroepen.

Als kennis macht is, is het doel van de Wetenschapswinkels (vele universiteiten kennen het fenomeen) die macht te spreiden, ook over minder draagkrachtige groepen in de samenleving. Niet iedere onderzoeksvraag uit de samenleving leidt tot een project B essentieel is dat de aanvrager een organisatie is die aan de weg timmert en dat het onderzoek de activiteiten direct ondersteunt. Voor de aangetrokken onderzoekers betekent dit een spannend traject: leveren van nieuwe kennis onder grote tijdsdruk, bij vaak gering budget, en met een klantgroep die de resultaten uit de hand grist. Er zijn verschillende overzichten van de vruchten van deze werkwijze.

Die Wetenschapswinkel lijkt nu dus ten onder te gaan. Logische stap in een tijd van marktori?ntatie of gebrekkig zicht op kwaliteiten van een unieke afdeling? Ik ben overtuigd van het laatste, en noem drie categorie?n kwaliteiten.

Ten eerste, een organisatie, en zeker een publieke organisatie als de Universiteit, staat met twee benen in de maatschappij. Dat betekent niet alleen dat zij toegankelijk is voor wie genoeg geld heeft, maar ook dat zij haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt voor vragen van minder draagkrachtige groeperingen, vaak motor achter veranderingen. Noem het corporate image of maatschappelijk verantwoord ondernemerschap. Afdanken van het Wetenschapswinkel concept is daarmee een smet op de licence to produce van Wageningen UR.

Ten tweede zijn we als kennisinstellingen op zoek naar nieuwe idee?n of naar trends in de maatschappij die tot nieuwe informatievragen leiden. Een goed georganiseerde Wetenschapswinkel zuigt deze idee?n en trends aan en biedt zo een beeld van de kennisvragen die in grotere, meer fundamenteel gerichte projecten nader uit te werken zijn. Vanuit mijn 'groene' achtergrond: onderzoeksvragen van platforms van boeren en milieuorganisaties, van bedrijven die consumenten met abonnementen aan zich binden, van regionale groepen boeren die grondstoffen voor elkaar willen produceren om kringlopen te sluiten B ze waren er al voordat kreten als 'interactieve wetenschap', 'bedienen van niche-markten met novelties' en 'koppelbedrijven' ingang vonden. De netwerken die in deze projecten werden opgebouwd zijn ook in vervolgonderzoek te benutten. Wetenschapswinkelprojecten managen is een kwestie van het juiste uithangbord, investeren in het formuleren van een onderzoekbare vraag met groepen van zeer diverse achtergrond en begeleiden van de interactie tussen onderzoek en klantgroep. Dat is iets heel anders dan het binnenhalen van een groot internationaal fonds en vereist daarom specialisten.

En ten derde heeft de Wetenschapswinkel een natuurlijke functie als interne bruggenbouwer gefungeerd. Zo ontstonden vanzelf beta-gamma-combinaties en ontmoetten onderzoekers vanuit verschillende technische achtergrond elkaar rond ??n thema. In projecten met een hoge 'klikfactor' kon zo een basis ontstaan voor latere samenwerking B strategisch niche-management avant la lettre. Met het verdwijnen van de Wetenschapswinkel verdwijnt zo een bron van interdisciplinaire vernieuwing van het onderzoek.

Reorganisatie is kiezen voor kernkwaliteiten. Geachte raad van bestuur, lees de missie van onze organisatie na, onderken bovenstaande kwaliteiten en besluit de Wetenschapswinkel haar verdiende plaats te geven in onze organisatie!

Walter Rossing, Biologische Bedrijfssystemen

Nobelweg

In de lokale pers en Wb van 12 september jongstleden namen we kennis van een ons inziens verbazingwekkende reactie van een oud-bewoner van Nobelweg 8 over de sloop van het studentencomplex aan de Nobelweg. Als huidige bewoners kunnen wij ons niet geheel vinden in de argumenten die de heer Van den Boogaard aandraagt voor het behoud van het 'unieke' complex.

We vinden het vreemd dat de heer Van den Boogaard teruggrijpt naar standpunten van bewoners uit het verleden, zoals de actie voor het behoud van de flat in 1983. Het ging toen om een gebouw van 25 jaar oud, maar inmiddels is het pand 45 jaar oud.

Het complex straalt volgens de heer Van den Boogaard, dankzij de vijftien kleine kamers aan ??n gang en zeer beperkte voorzieningen, zeer veel charme uit. Zoals hij zelf al zegt, 'een vorm van huisvesting die door veel buitenstaanders als onacceptabel zal worden gekenschetst, niet passend in deze tijd'. Hier heeft de heer Van den Boogaard een punt, al is hij niet geheel volledig: niet alleen buitenstaanders vinden deze vorm van huisvesting onacceptabel. Ook de huidige bewoners van zijn vroegere onderkomen, Nobelweg 8, zijn niet zo gecharmeerd van 'dit unieke pand'.

Helaas vermeldt de heer Van den Boogaard niet wanneer hij zelf in deze hokken van 3 x 4 meter woonde, maar het was in een tijd dat 'kleinschaligheid' en het gebrek aan luxe leidde tot een flexibele houding, lotsgebondenheid, een versterkte sociale band en het typische Wageningse wij-gevoel (wat dat ook mag betekenen).

Hieruit concluderen wij dat het wel een aantal jaartjes geleden moet zijn dat deze Nobelweg-redder hier voor het laatst voet binnen de deur heeft gezet. Toch meent de heer Van den Boogaard dat ook wij snel verknocht zijn geraakt aan de intimiteit van deze vorm van huisvesting. Intimiteit is er zeker wel, daar zijn we het over eens, maar die komt echt niet van de 'groene balkonnetjes' of welk deel van het gebouw dan ook. De intimiteit komt van de bewoners zelf.

Als huidige bewoners zijn wij betrokken bij de ontwikkeling van de nieuwbouwplannen. Zodoende kunnen we waarborgen dat er een nieuw uniek pand komt te staan dat w?l als paradepaardje voor Wageningen als studentenstad kan fungeren.

Begrijp ons niet verkeerd; wij beleven hier veel woonplezier, maar niets meer of minder dan we in een ander pand zouden hebben. Als genoegdoening voor het emotioneel verlies dat de heer Van den Boogaard vreest te gaan lijden, bieden wij als huidige bewoners hem het originele huisnummer van Nobelweg 8 aan.

De huidige bewoners van Nobelweg 8

Gezonde melk van weidekoeien!

Naar aanleiding van de reactie van Jeroen Nolles in Wb 25 op het artikel in Wb 24 over de verandering in vetzuursamenstelling bij omschakeling van vers gras naar een winterrantsoen het volgende. In ons onderzoek liepen de dieren van half september tot half oktober in de wei. Bij onbeperkt weiden bestond het melkvet voor 43 procent uit onverzadigde vetzuren, waarvan 6 procent meervoudig onverzadigd en 2,4 procent CLA. Na omschakeling op een 1:1 maiskuil/graskuil rantsoen waren de percentages in twee dagen (!) al gezakt naar 33, 3,5 respectievelijk 1,0 procent en na zes dagen stabiliseerden de percentages op 28,3 en 0,5 procent.

Voorafgaand aan deze proef is van half juni tot half september met dezelfde koeien zomerstalvoedering toegepast. Hierover werd in het artikel niets gezegd, maar toen bestond het melkvet voor 35 procent uit onverzadigde vetzuren, waarvan 4,3 procent meervoudig onverzadigd en 1,5 procent CLA. De werkelijkheid is dus, dat met op stal gevoerd vers gras de gehaltes van deze als gezond beschouwde vetzuren veel lager waren dan bij beweiding. Een directe vergelijking is echter niet helemaal fair, omdat de stalvoedering in de zomer plaatsvond en de beweiding laat in het seizoen. Ook was de stalvoedering met 100 procent Engels raaigras en vond de beweiding plaats op een perceel met een meer gevarieerde botanische samenstelling.

Uit Schots onderzoek, waarvan de resultaten 11 september jongstleden op een congres werden gepresenteerd, zijn in de maanden juli en augustus de effecten van maaien en inkuilen direct vergeleken met beweiding. Hieruit bleek dat de concentratie van CLA twee keer (!) zo hoog was bij grazende koeien dan bij stalvoedering van vers gras, terwijl dat laatste weer veel hoger was dan bij kuilgrasvoedering (2,64, 1,26 resp. 0,68 procent). Bedrijven die in de zomer zomerstalvoedering toepassen zouden zich moeten realiseren dat in gemaaid gras veel veranderingen plaatsvinden tussen moment van maaien en moment van consumptie door de koe.

Cel- en kiemgetal in de melk zijn een indicatie voor de hygi?ne, maar dit heeft nauwelijks gevolgen voor de consumptiekwaliteit van zuivelproducten aangezien kiemen bij de zuivelfabriek worden gedood. De melkvetten komen echter terecht in melk, boter, kaas, yoghurts etcetera, en zuivelproducten zijn de belangrijkste bron van CLA in onze voeding.

Verder bleek uit onze proeven dat maiskuilen veel lagere gehaltes aan precursors voor CLA bevatten dan graskuilen, maar het vergelijken van de effecten van verschillende kuilrantsoenen op melksamenstelling en het doorgronden van werkingsmechanismen en processen in het dier staat nog op ons onderzoeksverlanglijstje. Kortom er liggen nog veel wetenschappelijk interessante en ook voor de praktijk zeer relevante onderzoeksvragen die wij graag zouden willen aanpakken en wij nodigen Jeroen Nolles, studenten en andere ge?nteresseerden graag uit voor verdere discussie of samenwerking. Eventuele reacties of suggesties graag mailen naar Anjo.Elgersma@wur.nl.

Anjo Elgersma (KE Plant), Seerp Tamminga (KE Dier) en Geert Ellen (Nizo food research)

Re:ageer