Wetenschap - 26 september 2002

LS: Meer transparantie nodig bij internationale organisaties

LS: Meer transparantie nodig bij internationale organisaties

Met de VN wereldtop in Johannesburg staat de globalisering weer in het centrum van de belangstelling. Langzamerhand wordt duidelijk dat de anti-globaliseringsbeweging niet uitsluitend is gebaseerd op de irrationele idee?n van onverantwoordelijke lieden die uit zijn op zinloos geweld en daarmee het functioneren van internationale instituties als het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank proberen te belemmeren. Na lezing van Joseph Stiglitz' 'Perverse Globalisering' kan ieder weldenkend mens alleen maar tot de conclusie komen dat een grondige hervorming van de internationale organen hard nodig is. Stiglitz is dan ook niet de eerste de beste. Hij is een vooraanstaand econoom, winnaar van de nobelprijs economie in 2001, en jarenlang werkzaam geweest als adviseur van de Amerikaanse regering en als belangrijkste econoom bij de Wereldbank. In zijn boek biedt hij een verbijsterende blik op het reilen en zeilen van met name het IMF. Niet dat hij tegen globalisering is. In tegendeel, ook hij ziet de noodzaak in van steeds verder gaande internationale samenwerking met als doel de mondiale welvaart voor een nog steeds groeiende wereldbevolking veilig te stellen. Alleen ziet hij in dat een dergelijke gewenste ontwikkeling met het huidige disfunctioneren van onze belangrijkste mondiale economische instituties een illusie is.

In zijn ogen is het IMF een verlengstuk van de ministeries van financi?n en centrale banken van de rijke landen. Met name het Amerikaanse ministerie van financi?n heeft een grote invloed op het beleid van het IMF. Dat beleid is gebaseerd op de zogenoemde 'Washington consensus', waarbij alle heil wordt verwacht van de liberalisering van de kapitaalmarkten en het terugdringen van de overheidsinvloed ten gunste van de 'vrije markt'. De bezwaren van Stiglitz richten zich op het te hoge tempo en de inhoud van de door het IMF voorgestelde hervormingen. Vooral het idee dat er slechts ??n recept bestaat voor alle internationale economische problemen waar ook ter wereld dient te worden verworpen. In dat verband merkt Stiglitz op dat, om een nationale economie door te lichten, het IMF genoeg heeft aan slechts een zeer beperkte groep specialisten, die maximaal drie weken in een duur hotel in de hoofdstad logeert. Vanwege de simplistische ideologie achter de Washington consensus lijkt me zelfs dat korte verblijf overbodig en kunnen de 'herstelprogramma's' net zo goed zonder nader onderzoek direct vanuit Washington worden gedicteerd. Onveranderlijk houden deze namelijk in liberalisering van de kapitaalmarkt en bezuinigingen op de overheidsuitgaven. Pas als aan deze voorwaarden wordt voldaan (de zogenaamde 'conditionaliteit'), kan een land voor een lening van het IMF in aanmerking komen.

Maar, in een ontwikkelingsland met een goede begrotingsdiscipline en een relatief goed functionerend overheidsapparaat moeten in tijden van crisis de overheidsuitgaven niet worden verlaagd, maar volgens aloud keynesiaans recept, juist verhoogd om de toenemende werkloosheid en inkomensdaling terug te dringen. Stiglitz noemt drie concrete voorbeelden van ontwikkelingslanden waar het IMF-ingrijpen averechts heeft gewerkt: Ethiopi?, Oeganda en Zuid-Korea. Op die manier worden internationale recessies, zoals de Oost-Azi? crisis, via het IMF beleid juist versterkt in plaats van tegengegaan. Verder heeft het beleid ertoe geleid dat in de jaren negentig de miljarden dollars aan IMF- en Wereldbanksteun voor Rusland in de zakken van corrupte functionarissen en bevriende zakenlieden is verdwenen, de staat met een enorme schuldenlast opzadelend zonder dat voor de modale Russische burger de economische crisis ook maar iets werd verlicht, hetgeen toch de doelstelling van het beleid zou moeten zijn. Ook de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) krijgen van Stiglitz een veeg uit de pan. De Wereldbank omdat zij steeds meer als bijwagen fungeert van het IMF en de WTO omdat deze organisatie er voortdurend op uit is de belangen van een relatief kleine groep rijke landen veilig te stellen.

Het is duidelijk dat internationale instituties als het IMF, Wereldbank en WTO moeten veranderen als zij ooit weer een zinvolle bijdrage aan het functioneren van de wereldeconomie willen leveren. Het IMF moet terug in de rol waarvoor het in 1948 vooral op aandrang van de beroemdste econoom van de vorige eeuw John Maynard Keynes werd opgericht: mondiale crisisbestrijding. Dit betekent dat landen waarvan de overheden naar behoren functioneren in aanmerking moeten komen voor leningen om bij oplopende werkloosheid hun economie?n te stimuleren. Als de economie later aantrekt, kunnen deze leningen weer worden afgelost. Herstel van een economie moet niet uitsluitend aan de 'vrije markt'worden overgelaten. Het is deze keynesiaanse gedachte die de basis zou moeten zijn voor het beleid van het IMF.Waar het betreffende land het geld aan besteedt, moet het vooral zelf uitmaken omdat een verantwoordelijke regering het beste op de hoogte is van de nationale prioriteiten. Aan de ondersteuning van de koers van de eigen valuta, die het IMF graag ziet, zal dan vermoedelijk weinig belang worden toegekend. Op de eerste plaats omdat zo'n steunoperatie vrijwel altijd zinloos is, op de tweede plaats omdat een land in crisis vaak gebaat is bij een devaluatie omdat dit de export stimuleert.

Dit betekent natuurlijk niet dat ieder corrupt land in aanmerking zou moeten komen voor leningen, doch alleen de landen die worden gekenmerkt door 'good governance'. Het criterium van de 'Selectiviteit' dient daarom in de plaats te komen van de 'conditionaliteit'! Verder zou de Wereldbank zich weer uitsluitend moeten bezig houden met armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, dat wil zeggen het financieren van concrete projecten in landen die daarvoor in aanmerking komen; en tot slot de WTO met de afschaffing van handelsbelemmeringen, met name van die belemmeringen die de ontwikkelingslanden benadelen ten opzichte van de rijke landen. Het gaat hierbij in concreto om hervorming van het beleid dat de bescherming van de landbouw in de westerse wereld tegen concurrentie vanuit goedkoper producerende landen ten doel heeft en dat vaak leidt tot het dumpen door westerse landen van grote hoeveelheden landbouwproducten, met prijsbederf op de wereldmarkt als gevolg.

Onvermijdelijk zal de verandering van het beleid gepaard moeten gaan met personele veranderingen. Niet alleen op directieniveau, maar ook op het niveau van de internationale politiek. In de huidige situatie functioneren internationale instituties als het IMF grotendeels in het verborgene. Dit gebrek aan transparantie is ??n van de oorzaken van de desastreuze ingrepen van het IMF in de jaren negentig. Was, zo is mijn overtuiging, het IMF onderworpen geweest aan een grotere mate van democratische controle, en was er dus meer openheid geweest in de besluitvorming, dan zou het beleid al veel eerder serieus bekritiseerd zijn en wellicht bijgesteld. Om herhaling van de vele blunders te voorkomen, zou het IMF niet meer uitsluitend het speelveld moeten zijn van ministers van financi?n en directeuren van centrale banken. De regeringsleiders zouden zich er rechtstreeks en intensief mee bezig moeten houden en hierover verantwoording afleggen aan de nationale parlementen. Dat legt tevens een grotere verantwoordelijkheid bij de parlementsleden. Zij zouden op dit terrein niet meer op de automatische piloot kunnen vliegen, maar moeten proberen daadwerkelijk inzicht te verkrijgen in deze vaak complexe problematiek. Om te beginnen, zouden zij er goed aan doen het boek van Stiglitz te lezen.

Wim Heijman

hoogleraar Regionale economie

Wageningen Universiteit

Re:ageer