Wetenschap - 19 september 2002

LS: Gezonde melk van weidekoeien!

Gezonde melk van weidekoeien!

Naar aanleding van de reactie van Jeroen Nolles in WB 25 op het artikel in WB 24 over de verandering in vetzuursamenstelling bij omschakeling van vers gras naar een winterrantsoen het volgende. In ons onderzoek liepen de dieren van half september tot half oktober in de wei. Bij onbeperkt weiden bestond het melkvet voor 43% uit onverzadigde vetzuren, waarvan 6 procent meervoudigd onderzadigd en 2,4 % CLA. Na omschakeling op een 1:1 maiskuil/graskuil rantsoen waren de percentages in 2 dagen (!) al gezakt naar 33, 3,5 resp. 1,0 procent en na 6 dagen stabiliseerden de percentages op 28, 3 en 0,5 procent.

Voorafgaand aan deze proef is van half juni tot half september met dezelfde koeien zomerstalvoedering toegepast. Hierover werd in het artikel niets gezegd, maar toen bestond het melkvet voor 35 procent uit onverzadigde vetzuren, waarvan 4,3 procent meervoudigd onderzadigd en 1,5 procent CLA. De werkelijkheid is dus, dat met op stal gevoerd vers gras de gehalten van deze als gezond beschouwde vetzuren veel lager waren dan bij beweiding. Een directe vergelijking is echter niet helemaal fair, omdat de stalvoedering in de zomer plaatsvond en de beweiding laat in het seizoen. Ook was de stalvoedering met 100% Engels raaigras en vond de beweiding plaats op een perceel met een meer gevarieerde botanische samenstelling.

Uit Schots onderzoek, waarvan de resultaten 11 sept. j.l. op een congres werden gepresenteerd, zijn in de maanden juli en augustus de effecten van maaien en inkuilen direct vergeleken met beweiding. Hieruit bleek dat de concentratie van CLA twee keer (!) zo hoog was bij grazende koeien dan bij stalvoedering van vers gras, terwijl dat laatste weer veel hoger was dan bij kuilgrasvoedering (2,64, 1,26 resp. 0,68 procent). Bedrijven die in de zomer zomerstalvoedering toepassen zouden zich moeten realiseren dat in gemaaid gras veel veranderingen plaatsvinden tussen moment van maaien en moment van consumptie door de koe.

Cel- en kiemgetal in de melk zijn een indicatie voor de hygiene maar dit heeft nauwelijks gevolgen voor de consumptiekwaliteit van zuivelproducten aangezien kiemen bij de zuivelfabriek worden afgedood. De melkvetten komen echter terecht in melk, boter, kaas, yoghurts etcetera, en zuivelproducten zijn de belangrijkste bron van CLA in onze voeding.

Verder bleek uit onze proeven dat maiskuilen veel lagere gehalten aan precursors voor CLA bevatten dan graskuilen, maar het vergelijken van de effecten van verschillende kuilrantsoenen op melksamenstelling en het doorgronden van werkingsmechanismen en processen in het dier staat nog op ons onderzoeksverlanglijstje. Kortom er liggen nog veel wetenschappelijk interessante en ook voor de praktijk zeer relevante onderzoeksvragen die wij graag zouden willen aanpakken en wij nodigen Jeroen Nolles, (AV)studenten en andere geinteresseerden graag uit voor verdere discussie of samenwerking. Eventuele reacties of suggesties graag mailen naar Anjo.Elgersma@wur.nl

Anjo Elgersma (KE Plant), Seerp Tamminga (KE Dier) en Geert Ellen (Nizo food research)

Re:ageer