Organisatie - 22 januari 2009

LEREN OP AFSTAND ‘WEL COOL’

Vanuit je bed een hoorcollege volgen of een Wagenings computerpracticum doen in Ghana. Het kan met distance learning. De universiteit heeft dit fenomeen tot speerpunt gebombardeerd en wil er tonnen in investeren. De pioniers zijn enthousiast, maar waarschuwen ook voor heiligverklaring. ‘Je moet blijven afwegen: krijg ik even goed onderwijs?’

achtergrond_0_183.jpg
Studenten kunnen al een beetje merken dat distance learning een speerpunt is van Wageningen Universiteit. Hun colleges worden steeds vaker aangevuld met computeronderwijs en de eerste digitale practica zijn een feit. Prof. Ton Bisseling is één van de pioniers. Zijn leerstoelgroep gebruikt een ICT-practicum bij het vak Gene Technology. ‘De reden om dit vak te ontwikkelen was niet zozeer distance learning, maar de wens om ons eigen onderwijs te verbeteren. We zijn van ons eigen onderwijs uitgegaan en hebben rekening gehouden met hoe studenten stof opnemen. Uit onderzoek blijkt dat dit een effectieve manier is om kennis over te brengen.’ Het digitale practicum is een soort rollenspel waarbij studenten in de huid kruipen van een begeleider en zo andere – virtuele – studenten door een practicum heen loodsen. Bisseling: ‘Het is een sterk interactieve vorm van onderwijs, waarbij studenten ertoe worden aangezet om meer na te denken. Ze moeten allemaal de vragen beantwoorden. Op een gewoon college heb je altijd dezelfde tien procent die antwoorden geeft op je vragen.’ Zesdejaarsstudent Maarten Ligtenberg volgt de ICT-modules die voor het vak Molecular Development zijn ontwikkeld. ‘Er is minder interactie met de docent, maar dat komt omdat de computer al veel van je vragen oplost. Als je een verkeerd antwoord geeft zegt ie: ‘zou dat wel zo kunnen?’ Dan ga je nog eens nadenken. En als je er met de computer alleen niet uitkomt, is de docent er voor extra vragen. Ik vind het wel cool.’ Ligtenberg ziet veel voordelen. ‘Wat superhandig is, is dat je veel sneller tot de kern van de zaak komt. We hebben veel theorie doorlopen met dit practicum. Een echt practicum neemt veel tijd in beslag, ook voor dingen die je al wel weet. Op deze manier kun je veel gerichter leren.’ Maar de student benadrukt dat het virtuele practicum vooral aanvullend is. ‘Dit is een mastervak, dus ik heb al heel veel natte practica gehad en die basiskennis heb je wel nodig. Als je dat niet hebt, is het moeilijker om te begrijpen waar het om gaat. Voor de bachelor lijkt het me niet geschikt.’ Hetzelfde practicum wordt nu al in Ghana gegeven. Bisseling: ‘Er zijn daar geen middelen om een echt practicum te geven, en dan is dit een goed alternatief. Het is niet beter dan een practicum, maar het is wel veel beter dan geen practicum.’
WERKGROEP
Uit dit soort – nog losse – initiatieven van docenten wil de universiteit lessen trekken, met als uiteindelijk doel hele opleidingen die studenten op afstand kunnen volgen. Een werkgroep gaat het komende jaar onderzoeken wat er nodig is om dit doel te bereiken. Dr. Ab Groen, beleidsdirecteur van de stafafdeling onderwijs en onderzoek, en lid van de werkgroep: ‘Het principe is dat onderwijs loskomt van plaats en tijd. Studenten met een handicap krijgen meer mogelijkheden. Ook is het mogelijk dat studenten na hun bachelor gaan werken en dan later in deeltijd hun master halen. Verder kunnen we hele opleidingen aanbieden in het buitenland.’ Maar die scenario’s liggen nog erg ver van de werkelijkheid af. ‘We richten ons er eerst op de huidige studieprogramma’s uit te laten groeien, en van daaruit meer mogelijkheden te creëren.’
SCREENEN OP AFSTAND
Dr. René Kwakkel van de leerstoelgroep Diervoeding heeft verschillende ICT-modules ontwikkeld voor leren op afstand. Hij ziet goede mogelijkheden. ‘Eén van de voordelen is dat je buitenlandse studenten kunt screenen op afstand en ze beter kunt voorbereiden op het onderwijs hier. Ze kunnen bijvoorbeeld alvast wat vakken volgen via internet.’ Maar ook voor Nederlandse studenten is het positief. ‘Met distance learning kun je tijdens je stage in het buitenland toch hier een vak volgen. Dat voorkomt dat vakken dubbel geroosterd moeten worden.’ Veel positieve geluiden dus. En ook studenten zijn doorgaans enthousiast. Annemarie Kueter en Maud Theelen, beide derdejaars Voeding en gezondheid, volgden in periode twee Human Pathology. Voor dit vak hadden ze twee keer per week een virtueel practicum ter verdieping van de collegestof. ‘We kregen microscoopslides te zien, zoals je die ook bij een normaal practicum zou zien. Met vragen erbij. Die werden aan het eind klassikaal besproken, en de antwoorden weet je dan pas. Voordeel van het virtuele practicum is dat we menselijke monsters konden gebruiken. Dat vervangt een bezoek aan de snijzaal.’ De studenten benadrukken wel dat het practicum nog niet geschikt is om thuis te volgen. ‘Er waren twee of drie begeleiders bij en die hadden we hard nodig. Anders kom je er niet achter waar je naar aan het zoeken bent. Je moet weten wat je ziet.’ Op de vraag of ze tijdens hun studie niet te veel achter de computer zitten, antwoorden ze ontkennend. ‘We krijgen veel ICT-onderwijs, maar meestal is het ondersteunend. Het werkt ook goed, want je moet zelf antwoord geven op de vragen en nadenken. Je wordt zo meer betrokken bij de stof, bij een college ben je veel passiever. Maar er zijn wel grenzen. Omdat het zo intensief is, is een halve middag computerpracticum genoeg, een hele middag is erg lang.’ Bovendien blijven de echte practica belangrijk voor de twee studenten. ‘Die praktische ervaring is belangrijk, een computer kan niet alles vervangen. Je hebt niks aan plaatjes van praktische handelingen.’
GELEIDELIJKE OVERSTAP
Er zijn kortom wel grenzen aan de hoeveelheid digitaal onderwijs die studenten aankunnen. En er zijn meer drempels. Bisseling: ‘Een randvoorwaarde is dat het onderwijs in principe geschikt moet zijn voor zelfstudie. Je moet je eigen onderwijs als uitgangspunt nemen.’ Verder noemt hij het ontwikkelen van dit soort onderwijs zeer kostenintensief: ‘Een aio is er vier jaar mee bezig geweest om dit practicum te ontwikkelen. Daar staat tegenover dat we kosten besparen op het practicum zelf en dat het format waarschijnlijk tien tot twaalf jaar mee kan.’ Ook bij de onderwijsbeleving en de sociale rol van het studentenleven kunnen vraagtekens gesteld worden. Groen ziet hierin echter geen problemen. ‘Denk niet in het één of het ander. De overstap naar meer ICT zal geleidelijk gaan. Over tien jaar hebben we nog steeds ons eigen onderwijs in Wageningen en bieden we daarnaast deeltijdopleidingen aan, via bedrijven of bijvoorbeeld de Open Universiteit. Ons palet aan producten wordt diverser.’ Voorlopig is het voor de koplopers nog pionieren. Dat moet wel veranderen, zegt Groen: ‘De ontwikkeling van ICT-vakken is nu nog erg afhankelijk van het enthousiasme van docenten. Daar willen we van af. We willen een extra boost geven door betere facilitering, waardoor er meer snelheid in komt. Komend jaar wordt een deel van het budget voor onderwijsvernieuwing - ruim een ton - geïnvesteerd in pilots om digitaal leren te implementeren.’ Dat distance learning er komt lijdt volgens de betrokkenen dus geen twijfel. Maar ze waarschuwen elkaar wel om waakzaam te blijven. Bisseling. ‘Je moet blijven afwegen: krijg ik ten minste even goed onderwijs?’

Re:ageer