Wetenschap - 26 april 2001

Kunstmest als redding of bedreiging

Kunstmest als redding of bedreiging

Discussie tussen hoogleraren over biologische landbouw

Twee wetenschappers, beiden hoogleraar, lijken het op papier fundamenteel oneens met elkaar. De een is verklaard voorstander van de biologische landbouw, de ander op het oog een tegenstander. Wb zet ze bij elkaar voor een discussie. De uitkomst is onverwacht.

Eigenlijk zijn ze het eens, prof. dr. ir. Ariena van Bruggen, hoogleraar Biologische bedrijfssystemen en prof. dr. ir. Rudy Rabbinge, hoogleraar Plantaardige productiesystemen. Biologische landbouw is een belangrijke nichemarkt, tenminste voor de komende tien jaar. Inzet van een discussie tussen de twee is de wetenschappelijke basis van de biologische landbouw. Beiden hebben een plantkundige achtergrond en daar spitst de discussie zich dan ook op toe.

Dat beide hoogleraren het eens zijn is opmerkelijk. Ondanks zijn reputatie ziet Rabbinge zichzelf absoluut niet als tegenstander van de biologische landbouw. Hij is juist voor ecologisering van de landbouw; daaronder verstaat hij een zo zuinig mogelijk gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Hij vindt het best dat er biologische landbouw bestaat en dat er onderzoek naar gedaan wordt. Maar wel met mate. Bovenal moet de landbouw produceren om de wereldbevolking te voeden. Rabbinge: "Ik vind dat wij als wetenschappers een bijdrage moeten leveren aan de voedselvoorziening van deze wereld." Kunstmest is in zijn ogen een zegening geweest voor de wereldbevolking, omdat ze de landbouwproductie enorm heeft verhoogd. Rabbinge: "Als dat niet was gebeurd, waren er zo godsgruwelijk veel mensen omgekomen van de honger. Voor mij is dat een moreel argument om te zeggen: pas nou op en zweer kunstmest niet rigoureus af."

Van Bruggen weet dat biologische landbouw een tien tot twintig procent lagere opbrengst genereert dan conventionele landbouw met kunstmest, maar met de redenering van Rabbinge is ze het niet eens. "Niemand, helemaal niemand pretendeert dat we honderd procent biologische landbouw nastreven. Daarom maakt het niets uit of we hier in Europa of Nederland tien procent biologische landbouw hebben. Jouw argument dat we de voedselsituatie in de gaten moeten houden, is daarom niet relevant ten aanzien van het ontwikkelen van de biologische landbouw. In Europa produceren wij geen voedsel voor de arme mensen in Afrika of Azi?."

Bodemmicroben

Daarmee haalt Van Bruggen de schijnbare tegenstelling tussen haar en Rabbinge volledig onderuit. Rabbinge is het namelijk volstrekt met haar eens. Hij formuleert het gemeenschappelijke standpunt: "De biologische landbouw is een nichemarkt die moet worden vervuld. Uitgangspunt voor mij is dat op basis van vraag vanuit de samenleving - die in mijn ogen irrationeel is, maar dat doet er niet toe - er ontwikkeling van biologische landbouw moet plaatsvinden waarbij geen kunstmest en geen pesticiden mogen worden gebruikt. Dat is wetenschappelijk gesproken een uitdaging."

Ook voor Van Bruggen is die uitdaging het uitgangspunt. De consument moet kunnen kiezen tussen biologisch of niet-biologisch. Ze verwacht dat het percentage biologische landbouw zal blijven steken bij twintig. Misschien dat op termijn dat percentage nog kan stijgen, maar voorlopig niet. "Het is nu niet realistisch uit te gaan van meer."

Met dit gemeenschappelijke standpunt lijkt de basis onder de discussie weg te zijn. Het tegendeel is het geval. Het doel is misschien hetzelfde, maar de basis van hun standpunt verschilt. Punt van discussie is het gebruik van kunstmest. Rabbinge: "Ik zie geen enkel rationeel argument om af te zien van het gebruik van pesticiden en kunstmest." Van Bruggen reageert: "Of pesticidengebruik en kunstmest wezenlijk afdoen aan een natuurlijke wijze van produceren, daar kunnen we nog geen uitspraak over doen. Jij kunt niet zeggen: een klein beetje kunstmeststikstof heeft geen effect op de microbi?le samenstelling. Ik kan niet zeggen: het heeft wel effect. Op dit moment moet dat nog bestudeerd worden. Het is niet duidelijk of er een verandering optreedt als je een klein beetje stikstof zou toevoegen in plaats van helemaal niets. Of dat die grens ligt tussen tachtig en tweehonderd kilo stikstof. We weten het niet. Dus op dit moment is er inderdaad geen wetenschappelijk argument in de biologische landbouw om de pesticiden en kunstmest volledig af te schaffen."

Ondanks het gebrek aan wetenschappelijk bewijs is Van Bruggen zelf overtuigd van de betere kwaliteit van de grond ?n de producten in de biologische landbouw. Ze wijst op het summiere onderzoek in deze richting. Daarbij neemt ze veelvuldig de woorden microbi?le gemeenschap in de mond. Die zou ook mede de kwaliteit van het product bepalen. En daarom kunnen een klein beetje pesticiden en een klein beetje kunstmest al schadelijk zijn.

Uitgemergelde grond

Van Bruggen vindt het belangrijk dat een grond voldoende organische stof houdt dan wel opbouwt, zodat de vruchtbaarheid op lange termijn gewaarborgd blijft. In de Nederlandse polders lijkt het echter niet zoveel uit te maken voor het organischestofgehalte of je wel of geen kunstmest toevoegt. Volgens Rabbinge hadden de drie verschillende bedrijven in Nagele (biologisch, gangbaar en de tussenvorm 'ge?ntegreerd') na dertig jaar verschillend regime nauwelijks verschil in hoeveelheid organische stof in de grond, of er nou alleen maar kunstmest was gegeven of alleen drijfmest. In de polders zit zoveel organische stof in de grond dat die niet zo gemakkelijk helemaal afgebroken wordt.

In meer aride gebieden is het echter de vraag wat het effect van kunstmest is. Rabbinge benadrukt het belang van kunstmest. Hij haalt onderzoek aan waaruit blijkt dat de uitgemergelde gronden in Afrika het meeste baat hebben bij een combinatie van organische stof en kunstmest. Met alleen organische stof is de mineralisatie, het vrijkomen van mineralen voor de plant, ontoereikend. "De verbranding van organische stof gaat in die landen zo snel dat je in feite geen opname van nutri?nten door de plant ziet. Met alleen kunstmeststikstof gaat de productie wel omhoog maar heb je een ongelofelijk lage effici?ntie, omdat heel veel van die nutri?nten gewoon door de grond heen zijgen."

Van Bruggen kent onderzoek uit Californi?, qua klimaat vergelijkbaar met de gebieden waar Rabbinge het over heeft, waar de gronden juist wel baat hadden bij biologische landbouw, dus zonder kunstmest: "Binnen tien jaar ging het organischestofgehalte bij het biologische systeem sterker omhoog dan bij het ge?ntegreerde systeem, terwijl dat in het conventionele systeem afnam."

Rabbinge vindt het moeilijk daarop te reageren omdat hij niet weet hoe de drie systemen eruit zien. Bovendien gaat het niet om rijke gebieden als Californi?, maar om arme gebieden. Als kleine boeren in India over willen schakelen op een grotere productiviteit en inkomen, kunnen ze volgens Rabbinge niet zonder inzet van externe inputs als kunstmest. Voorwaarde is dat het benutten van die hulpmiddelen goed moet worden begeleid. Daar zit hem nou juist het probleem. Beide hoogleraren kennen voorbeelden waarbij die hulpmiddelen grote schade veroorzaakten aan het milieu en de traditionele teeltplannen, met alle gevolgen van dien. Maar Rabbinge kent ook gevallen waar het wel goed is gegaan, als de begeleiding maar goed gebeurt. Ze komen er niet uit. Wel worden de verschillen kleiner. Van Bruggen is niet per definitie tegen kunstmest, al zijn kleine boeren er niet altijd mee geholpen vanwege de ongewenste neveneffecten. Bovendien benadrukt ze keer op keer dat het onbekend is hoe schadelijk stikstof is voor het microbi?le leven in de bodem. Rabbinge houdt het er op dat hij genoeg voorbeelden kent waar de toepassing van kunstmest wel de productie en leefomstandigheden van de lokale bevolking verbeterde.

Flauwekul

Zo blijft het onderwerp tussen hen in hangen. Rabbinge geeft zich niet gewonnen. Hij heeft het altijd 'flauwekul' gevonden dat er beweerd wordt dat er geen onderzoek is gedaan naar biologische landbouw. "Voor de basisprocessen maakt het niet uit of je dat doet voor de biologische of de gangbare landbouw." Van Bruggen wijst erop dat die proeven gedaan zijn met conventionele grond. "Het onderzoek dat gedaan is aan basisprocessen en waar men gebruik maakt van conventionele grond is niet relevant voor de biologische landbouw. De uitkomsten zijn totaal anders."

"De nutri?ntenopname is toch niet anders?", werpt Rabbinge tegen. Van Bruggen: "Dat weet ik niet zeker. De opnamesnelheid zou wel eens essentieel anders kunnen zijn." Ze haalt een voorbeeld aan van onderzoek in Californi?. De grond bevat veel organisch materiaal en veel bodemleven. De planten halen een goede opbrengst, terwijl de nitraatgehaltes in de grond bijna nul zijn. Bij gangbare bedrijven is die opbrengst alleen mogelijk met hoge nitraatgehaltes in de grond, wat dankzij kunstmest mogelijk is. In biologische grond blijkt de omzetsnelheid van het organisch materiaal groot te zijn. Er vindt voortdurend omzetting plaats waardoor er continu, beetje bij beetje, ammonium en ook nitraat vrijkomt, wat de plant direct op kan nemen.

Rabbinge grijpt terug op het onderzoek in Afrika. Het is een herhaling van zetten, onderzoek tegenover onderzoek. De wetenschappelijke kennis over biologische landbouw toont nog veel witte plekken.

Leonore Noorduyn

Foto's Guy Ackermans

Prof. dr. ir. Rudy Rabbinge: "Ik zie geen enkel rationeel argument om af te zien van het gebruik van pesticiden en kunstmest."

Prof. dr. ir. Ariena van Bruggen is overtuigd van de betere kwaliteit van de grond ?n de producten in de biologische landbouw.

Re:ageer