Wetenschap - 6 april 1995

Kritiek op jubilerende vakgroep Theoretische Produktie-ecologie

Kritiek op jubilerende vakgroep Theoretische Produktie-ecologie

De vakgroep Theoretische produktie-ecologie bestaat 25 jaar. Met de befaamde C.T. de Wit-methode heeft ze wereldwijde faam behaald. Maar nu is het tijd om wat minder achter de computer te zitten en wat meer te debatteren met collega's, proefstations, boeren en voorlichters. Vroeger had je alleen de interne eisen van wetenschappelijke aard. Nu komen er externe eisen bij."


De modellen worden hier teveel als einddoel gezien en niet als middel", kritiseert agronoom en crop modeller dr ir M. Stapper, die na zeventien jaar werken in het buitenland weer op bezoek is bij de vakgroep Theoretische produktie-ecologie. Het is een communicatieprobleem. Iedereen blijft op zijn eigen microniveau hangen, er is geen dialoog."

Ik zit hier nu drie maanden en ik merk weinig van contacten met andere vakgroepen binnen de onderzoekschool Produktie-ecologie", vervolgt Stapper. Toen er laatst op Bodemkunde een lezing werd gehouden over site specific management, waarbij je toch ook modellen moet gebruiken, was er niemand van de vakgroep en het AB-DLO (Centrum voor agrobiologisch en bodemvruchtbaarheidsonderzoek, nauw gelieerd aan de vakgroep, red.). De afstand tussen het AB-DLO en de proefstations is ook te groot. Ieder is met zijn eigen modellen bezig."

Stapper is teleurgesteld in de LUW. Hij belde speciaal het Wagenings universiteitsblad op, omdat hij vond dat de kritiek hardop gezegd moest worden. Op Theoretische produktie-ecologie, zo ervaart hij, zijn te weinig mensen die hun mond open doen. De hoogleraren antwoordden op zijn kritiek: Maar het gaat toch goed? of, zwaaiend met het programma van de pas opgerichte school Produktie-ecologie: Maar Maarten, kijk, we werken nu toch samen?. Dat is veel te gemakkelijk", vindt de bewogen agronoom. De LUW wil toch naar duurzame landbouw? Dan moet je ook veel over verandering praten."

Stapper mist wekelijkse debatten waarin een bepaald onderwerp wordt bediscussieerd. Afgelopen week waren hier bij de vakgroep wel drie presentaties, maar toen waren de onderzoeksleiders er zelf niet bij."

Simulatiemodellen

De vakgroep Theoretische produktie-ecologie heeft vorige maand een boekje uitgegeven vanwege haar 25-ste verjaardag: een korte presentatie van onderzoeksprogramma's en een opsomming van artikelen tussen 1968 en 1994. Op haar naam staat de lineaire programmering en het ontwikkelen van simulatiemodellen ten behoeve van teeltvraagstukken. Produktie-ecoloog prof. dr C.T de Wit paste destijds als een van de eersten de nieuwe informatica toe op de plantenteelt. En daarmee heeft de groep rond De Wit, die vorig jaar stierf, wereldwijde faam opgebouwd. Op allerlei onderzoeksinstituten, ook internationale, hebben Wageningse onderzoekers en afgestudeerden de modellering geintroduceerd of vooruit gebracht.

Ook binnen de oecologische en teeltvakgroepen van de LUW zit de modellering inmiddels stevig in het zadel. De hoogleraar Duurzame dierlijke produktie werkt nog gedeeltelijk bij het sterk gegroeide AB-DLO en heeft nauw met De Wit samengewerkt. De hoogleraren Gewasbescherming, Tuinbouw en Natuurbeheer komen eveneens van het AB-DLO, Agronomie heeft de modellering opgepikt, evenals Entomologie, Bodemkunde en plantevoeding en Bodemkunde en geologie. Lineaire programmering en simulatie is daarmee ook een belangrijke pijler van de nieuwe onderzoekschool Produktie-ecologie.

Ruwweg gaan de studies zo: hoogleraren en docenten bepalen van welke factoren het belangrijk is te onderzoeken hoe ze bijvoorbeeld de gewasgroei bepalen. Vervolgens verzamelen promovendi uit de literatuur waarden, vullen deze aan met eigen veld- of laboratoriumproeven, verbinden de getallen via wiskundige formules, en testen de uitkomsten in nieuwe omgevingen. Voor sommigen is deze bij uitstek kwantitatieve methode een juk, een dogma; voor anderen een noodzakelijk traject om de wetenschappelijke kwaliteit te garanderen.

Samenwerking

Momenteel lijkt het belangrijkste kritiekpunt dat er te weinig landbouwonderzoekers zijn die modellen of andere informatie-systemen ontwikkelen welke goed aansluiten bij de vragen van de voorlichters, proefstations, boeren en beleidmakers. Hiertoe is nauwe samenwerking met de gebruikers vereist, leert ondermeer het promotie-onderzoek in de potplantenteelt van informaticus dr G. J. Hofstede. Daarnaast is samenwerking met sociale wetenschappers nodig, stelde vorig jaar de socioloog dr C. Leeuwis, die de invoering van modellen in de tuinbouw had bestudeerd: zij moeten de machtsverhoudingen en uiteenlopende wensen van de gebruikers onderzoeken.

Ook agronoom Stapper ervaart dat (wereldwijd) de gangbare teeltmodellen te ver af staan van de praktijk. Volgens hem heeft dat te maken met de heersende wetenschapsopvatting. Meer en meer worden dingen op microniveau gedaan en het macroniveau verdwijnt, want dat is sloddervos, geen wetenschap."

Natuurlijk, er moeten fundamentele onderzoekers blijven die voor disciplinaire verdieping in het landbouwkundig onderzoek zorgen, maar, zo vindt Stapper, tenminste tien procent van de teeltwetenschappers moet toch direct samenwerken met de voorlichters en boeren. En zij vragen om eenvoudige modellen en om parameters die zij zelf in het veld kunnen meten. Onderzoekers kunnen niet volstaan met het afleveren van modellen: Voorlichters worden overvoerd met informatie. Als je er zelf niet mee bezig blijft, komen die rapporten in de la terecht."

Stapper heeft in Australie een methode ontwikkeld om studie-bijeenkomsten van landbouwonderzoekers, boeren en voorlichters te ondersteunen. Centraal staan niet de waarden, verzameld in laboratoria en op proefvelden, maar waarden verzameld op de bedrijven zelf. Deze komen terecht in een database en worden door de onderzoekers geanalyseerd. Hoe hoog was de graanopbrengst op de bedrijven na een jaar braaklegging, klaver of koolzaad? Hoe beinvloedde de zaaidatum de opbrengst op de bedrijven? Met grafieken en diagrammen, afkomstig van zo'n tweeduizend velden, bediscussieren de onderzoekers hun uitkomsten met de boeren.

Huidmondjes

De Wageningse produktie-ecologen relativeren de kritiek van Stapper. De verhouding tussen het aantal modellenbouwers op huidmondjesniveau en op veldniveau is niet veranderd. Juist het modelleren op een hoger aggregatieniveau krijgt in de vorm van scenario-studies tegenwoordig veel aandacht. Wel modelleren er meer onderzoekers dan vroeger, en dus zijn er ook meer onderzoekers op microniveau. Verder zijn er duidelijke voorbeelden van modellen die bijvoorbeeld door Aziatische agronomen worden gebruikt om hun eigen onderzoek te verbeteren.

Maar tekenend voor het gebrek aan aansluiting op de praktijk buiten onderzoeksinstituten, is het feit dat de vakgroep steevast hetzelfde lichtend voorbeeld noemt: het EPIPRE-model. Daarmee leren boeren aan de hand van waarneming of ze moeten spuiten of niet. De ironie wil dat EPIPRE, ontwikkeld onder auspicien van planteziektenkundige prof. dr J.C. Zadoks, nu juist niet meer wordt gebruikt. Wat er met die paar andere modellen is gebeurd die een paar jaar geleden met zulke goede intenties voor boeren werden ontwikkeld, is niemand duidelijk.

Kinderschoenen

Dat er weinig wordt samengewerkt met boeren, voorlichters en proefstations weerleggen de produktie-ecologen uiteindelijk ook niet. Integendeel. Dit moet ook veranderen en dit is ook al aan het veranderen. Ik zie ons steeds dichter bij elkaar komen", verwoordt prof. dr F.W.T. Penning de Vries, werkzaam bij het AB-DLO en hoogleraar in China. Je wilt meer naar de praktijk toe, en naar kennis van de bedrijven." Net als andere onderzoekers wijst hij erop dat financiers hogere eisen stellen aan de gebruikswaarde van het onderzoek. Vroeger had je alleen de interne eisen van wetenschappelijke aard, nu komen er externe eisen bij. Dat gaat zeker vernieuwing met zich meebrengen."

Onderzoeker dr ir A.J. Haverkort van AB-DLO wil de landbouwonderzoekers nog eens twintig jaar geven. Hij schat dat ze dan weer veel dichter bij de praktijk staan. Zelf heeft hij nu een promovendus die in Ecuador op tientallen bedrijven gegevens verzamelt, om modellen te testen.

Samenwerking van teeltonderzoekers met boeren en voorlichters, in de Derde Wereld een groeiende beweging, staat in Nederland in de kinderschoenen. Vraag je naar voorbeelden, dan hoor je steevast de volgende drie: het project met 38 akkerbouwers van Frank Wijnands, van het Proefstation voor akkerbouw en de groenteteelt in de vollegrond in Lelystad; het Innovatieproject Ecologische akkerbouw en groenteteelt van dr P. Vereijken, en het Bollenproject van dr ir W.A.H. Rossing van de vakgroep Theoretische produktie-ecologie.

Vereijken ontwerpt, vanuit het AB-DLO maar met geld van de EG, ecologische bedrijfssystemen met een betere kwaliteit produkten en meer natuur. Deze ontwerpen test hij op proefboerderijen en met ecologische boeren, waarmee hij regelmatig studie-bijeenkomsten heeft. Wijnands, die heeft samengewerkt met Vereijken, werkt op dezelfde manier, maar dan met akkerbouwers die willen overschakelen naar een duurzamer landbouw.

Rossing tenslotte, ontwikkelt scenario's in nauwe samenspraak met het bollenoverleg, een groep van vijftien jonge bollenkwekers en milieu-activisten. Zij willen de bollenteelt milieuvriendelijker maken zonder inkomsten te verliezen. Rossing modelleerde al langer voor de bollenteelt, maar dankzij bemiddeling van de Wetenschapswinkel doet hij dit nu samen met het Overleg. De groep bespreekt bijvoorbeeld of je de doelstelling minder pesticiden moet vertalen in kilo's per hectare, in het puntensysteem, ontwikkeld door het Centrum voor landbouw en milieu, of in een puntensysteem afkomstig van een levenscyclusanalyse. Het is naar twee kanten vruchtbaar", zegt Rossing enthousiast. Wij leren van het bollenoverleg en zij weten nu, als ze de scenario's gebruiken, waar ze over praten."

Leerproces

Het opmerkelijke van deze initiatieven is dat het onderscheid tussen onderzoek, voorlichting en onderwijs vervaagt. Niet het eindprodukt, het model of ontwerp, maar het leerproces staat centraal. En dat, interpreteert Rossing, past goed in de visie van de school Produktie-ecologie, omdat deze toch toe wil naar ecologische geletterdheid. Die verweving betekent dan wel dat het klassieke OVO-model vervaagt. De universiteit en de onderzoeksinstituten worden hierin niet geacht om met boeren te werken, omdat daar de voorlichters voor zijn. Penning de Vries, eerste fulltime medewerker van De Wit, vindt die vervaging niet erg. Het zou erg zijn als het niet zo was."

En de samenwerking binnen de onderzoekschool Produktie-ecologie? Ook die groeit, denkt TPE'er Rossing. De school gaat binnenkort een paar postdoc's aanstellen die onderzoeksvragen op de raakvlakken van vakgroepen aanpakken. En nu al, meldt Rossing, gaat hij vaker bij andere vakgroepen langs dan vroeger. Als het aan de theoretisch produktie-ecologen ligt, zal er dus wanneer Stapper over zeventien jaar weer op bezoek komt, echt wat veranderd zijn. Misschien is zelfs wel, zoals de kritische agronoom voorstelt, het voorvoegsel theoretisch geschrapt.

Re:ageer