Organisatie - 26 april 2007

Krijgen promovendi nog genoeg begeleiding?

Het aantal promovendi aan de universiteit stijgt tot een nieuw record. Leverde de Wageningse proefschriftenfabriek in 2005 nog 192 doctors af, in 2006 waren het er 224 en voor dit jaar staan er al 257 op de rol. Kunnen de hoogleraren en de universitair hoofddocenten al deze promovendi nog wel behoorlijk begeleiden? Gaat de kwaliteit van het promotieonderzoek op deze manier niet achteruit?

167_opinie_0.jpg
167_opinie_0.jpg

Foto: .

Ir. Christiaan Jagersma, promovendus bij Microbiologie, lid van de Gezamenlijke vergadering voor PromoV

‘Ik geloof wel dat er meestal voldoende begeleiding is, al is het moeilijk om daar algemene uitspraken over te doen. De ene groep heeft vier promovendi, de andere vijftig. De ene promovendus ziet zijn begeleider dagelijks, de andere eens in de paar maanden.
Als vertegenwoordigers van PhD-studenten willen wij wel graag betere afspraken over de begeleiding. Iedereen heeft als het goed is een opleidings- en begeleidingsplan. Daarin moet staan hoeveel tijd je begeleider per week beschikbaar heeft. Nu is dat lang niet voor iedereen geregeld. Dat zou wel moeten, zeker als de universiteit er werk van wil maken om proefschriften binnen vier jaar klaar te hebben. Het is bovendien afgesproken in de cao.
Ik hoor nu niet veel klachten over onbereikbare begeleiders, maar als het toch misgaat, is het belangrijk dat je van tevoren schriftelijk afspraken hebt gemaakt.’

Dr. Maja Slingerland, manager van een Inrefprogramma waar twaalf promovendi aan meewerken[img]

‘Ik denk dat we al aardig aan het maximum aantal promovendi per hoogleraar zitten. Want er zit zeker een groot spanningsveld en daar zijn verschillende opvattingen over. Sommigen zien een promotieplaats als een baan, anderen zien het meer als een plek om te leren. Die laatsten vinden dat PhD-studenten recht hebben op veel begeleiding, de eersten verwachten meer zelfstandigheid.
Als er meer promovendi komen, zullen hoogleraren strenger aan de poort gaan selecteren. Kandidaten waarvan ze verwachten dat ze veel begeleiding nodig hebben, worden niet aangenomen. Dat is een zelfregulerend proces dat volgens mij al een tijdje aan de gang is. Bovendien zullen er tijdens het traject meer promotiestudenten afvallen. De raad van bestuur heeft onlangs in een brief de begeleiders nog aangeraden vooral gebruik te maken van het tussentijdse keuzemoment, zodat ze niet nog drieënhalf jaar aanmodderen met een kandidaat die veel extra tijd kost. Probleem is dat als je nee zegt tegen iemand die al bezig is, je nog maar drieënhalf jaar financiering hebt voor een nieuwe kandidaat.
Ik denk dat selectie aan de poort geen kwaad kan. Je doet niemand een plezier door hem aan te nemen omdat hij geld heeft of een leuke positie in het land waar hij vandaan komt. En een promotieplaats moet je niet verwarren met ontwikkelingshulp.’

Prof. Martin Mulder, hoogleraar Educatie- en competentiestudies[img]

‘Ik denk dat elke promovendus persoonlijke coaching nodig heeft. En als je de promovendi persoonlijk wilt begeleiden, kan een hoogleraar niet meer dan tussen de vijf of tien promovendi onder zijn hoede hebben. In onze relatief kleine leerstoelgroep hebben we acht promovendi. Als dat er meer worden, dan zou je meer senior medewerkers moeten hebben die de begeleiding op zich kunnen nemen. Maar het aantal promovendi heeft volgens mij niet zoveel met de kwaliteit van het onderzoek te maken. Dat hangt meer af van de kwaliteit van de instroom. En als je veel aanbod van kandidaten hebt, dan kan je selectiever zijn.’

Prof. Paul Richards, hoogleraar Technologie en agrarische ontwikkeling, begeleidt momenteel dertig promovendi[img]

‘De kwaliteit is niet in het geding. Sterker nog, ik denk dat de kwaliteit van de Wageningse proefschriften juist hoger wordt. Onze promovendi werken in cohorten rondom hetzelfde thema en staan inhoudelijk dus dicht bij elkaar. Zoals dat in een academische omgeving hoort, hebben ze onderling en met anderen veel dialoog en dat vormt voor een deel al de begeleiding. Verder geef ik ook inhoudelijke begeleiding in groepen. Natuurlijk moet je daarnaast tijd nemen voor individuen. Maar een groot deel van de tijd voor dagelijkse begeleiding gaat ook zitten in het oplossen van praktische zaken en dat is jammer. De Aula zit bijvoorbeeld al negen maanden volgepland met promoties. En het krijgen van een visum is nog steeds veel te inflexibel geregeld, al heeft de universiteit op dit punt al veel verbeterd. Veel buitenlandse studenten, en het aandeel buitenlandse studenten stijgt, hebben daardoor zorgen over de vraag of ze wel op tijd terug kunnen naar hun gezin.
De vraag bij ons was meer hoe je omgaat met plotselinge toename van het aantal promovendi. In een groot project kregen wij ineens een grote groep studenten. We vroegen daarom een deel van de financiering voorafgaand aan de verdediging, terwijl die normaal pas achteraf komt. En dat heeft geholpen.’

José Lozano MSc, promovendus bij Nematologie[img]

‘Ik denk dat het over het algemeen goed geregeld is. Ik zie mijn begeleider regelmatig, ik kan altijd binnenvallen, zie hem tijdens de koffiepauze en tijdens de vergaderingen van onze sectie.
Vorig jaar was er een bijeenkomst waarbij PhD-studenten werd gevraagd hoe ze hun begeleiding beoordeelde. Er werd eerst een slecht scenario geschetst, toen een droomscenario. Een paar mensen herkenden zich in het slechte scenario, een paar in het goede, maar de meerderheid zat daar tussenin.
Ik kan niet vergelijken met andere universiteiten hier in Nederland, maar ik heb niet het idee dat er iets misgaat. Welk cijfer ik zou geven? Nou ja, geen tien. Maar zeker een achtenhalf.’

Re:ageer