Wetenschap - 23 maart 1995

Konrad Hagedorn over transformatieproces in Oost-Europa

Konrad Hagedorn over transformatieproces in Oost-Europa

Moet het EU-landbouwbeleid op de liberale schop om de toetreding van de Oosteuropese landen mogelijk te maken? Konrad Hagedorn, bijzonder hoogleraar transformatieprocessen in de Oosteuropese landbouw, meent van niet. De Europese Unie moet accepteren dat er verschillende structuren zijn, grote bedrijven in het Westen en kleinere in het Oosten. Er komt een grote varieteit."


Bij alle bombarie rond de integratie van zes Midden- en Oosteuropese landen in de Europese Unie wordt volgens prof. dr K. Hagedorn een belangrijk punt vergeten. Men richt zich louter op klassieke problemen, zoals een economische basis onder de landbouw en een redelijk sociaal verdeeld inkomen. Men denkt niet aan het milieu en dat is een groot probleem. Het landbouwbeleid is aan het veranderen, waarbij de milieuproblematiek steeds dominanter wordt."

In Oost-Europa is het onderzoeksveld van de economie van hulpbronnen tot nu toe onbekend", aldus de bijzonder hoogleraar Sociaal-economische aspecten van transformatieprocessen in de Midden- en Oosteuropese landbouw, die namens de Stichting Wagenings universiteitsfonds aan de LUW is aangesteld. Men is nog absoluut niet bezig met de impact die de milieuproblematiek kan krijgen. Over een aantal jaren zullen ze wakker worden. Op het tijdstip dat de CEEC-landen - Polen, Tsjechie, Slowakije, Hongarije, Roemenie en Bulgarije - willen integreren in de Westeuropese Unie, zal blijken dat ze zich niet kunnen veroorloven om andere normen te hebben. De Europese Unie zal op milieugebied een stuk verder zijn. De consument zal hoge eisen stellen aan voedsel, waarbij naast gezondheid de proceskwaliteit van groot belang wordt. Voedsel dat in Polen of Rusland wordt geproduceerd, waarbij veel broeikasgassen vrijkomen, zal domweg worden geweigerd."

Hagedorn, een rustige vriendelijke man, lacht verlegen. In zijn thuisland is hij hoogleraar in de resource economics aan de Humboldt universiteit in Berlijn, waar zich de grootste landbouwfaculteit van Duitsland bevindt. Al voor de Europese eenwording waren er vele contacten met Oosteuropese landen, waar nu een formele status aan wordt verleend. Samenwerkingcontracten zijn reeds gesloten, maar gemakkelijk is het niet. De taal wordt niet door iedereen beheerst, het is moeilijk om informatie los te krijgen en gegevens zijn nauwelijks te krijgen.

Verlengstukken

Ook conceptverschillen spelen een rol. Hagedorn: Universiteiten in die landen zijn nooit vrije instituten geweest. Het waren verlengstukken van het politieke systeem, ze moesten de overheid steunen. Als gevolg daarvan zijn economen geen graag geziene mensen in die landen. Zij hebben in de ogen van anderen bijgedragen aan de slechte situatie waarin de landen zich nu bevinden."

Die slechte economische situatie is de reden dat de Oosteuropese landen zich weinig aan de milieuproblemen gelegen laten liggen. De privatisering van landbouwbedrijven moet eerst worden georganiseerd, maar het milieu zal belangrijk worden, herhaalt de Duitser. Vijf jaar geleden sprak in Duitsland geen enkel ministerie over het broeikaseffect, nu heeft iedereen het erover. Over een paar jaar zal binnen internationale afspraken zijn aangegeven hoeveel elk land aan broeikasgassen mag produceren. Je krijgt package deals waarbij de Europese Unie wellicht zegt: Oke, je kan toetreden, maar niet voordat je je broeikasgassen verlaagd hebt tot dit niveau. Dat zal ook gaan gelden voor ander milieubeleid zoals biodiversiteit en duurzaamheid."

Hagedorn was vorige week drie dagen in Wageningen om college te geven bij de vakgroep Algemeen agrarische economie. Tegelijkertijd kon hij optreden als co-referent bij de collegecyclus Beleid en universiteit. Daar verdedigde A. van Stolk, adviseur voor de Europese commissie, zijn rapport Relations between the European Union and the Central and Eastern countries in matters concerning agriculture and food production. Hij benadrukt in zijn rapport dat vooral het uit elkaar lopen van de landbouwstructuur in Oost- en West-Europa problemen zal opleveren. Voor het Westen ziet Van Stolk een verdergaande schaalvergroting, terwijl in het Oosten na de opdeling van collectieve landbouwbedrijven uiterst kleine bedrijfjes ontstaan. De landbouw in de CEEC-landen is verschillend, maar in een ding zijn de bedrijven gelijk: ze zijn geen van alle competatief. Het ontbreekt met name aan een goede eigendomsverdeling van boerderijen en grond, landbouwkredieten, verwerking en afzet van produ
kten, een infrastructuur en infomatiesystemen."

Klein

Hagedorn is het op veel punten redelijk met Van Stolk eens, maar zeker niet op het punt van de bedrijfsgroottes. Van Stolk spreekt over grote bedrijven in het Westen, maar dat is natuurlijk betrekkelijk. De bedrijven in de landbouw blijven altijd klein. Het aantal hectaren zegt niets, je moet kijken naar het aantal mensen dat er werkzaam is. Dat de Oosteuropese boerderijen zo klein zijn, is juist een logisch economisch gevolg van de transformatie. In de industriele staatsboerderijen werden de hulpbronnen slecht gealloceerd. De verhouding tussen kapitaal, land en arbeid was ongunstig. Het was een verspilling van kapitaal, die uit andere sectoren gehaald werd. In de landbouw heeft men altijd veel arbeid en weinig kapitaal gehad, en dan is het een logische consequentie dat boeren teruggaan naar kleinschalige arbeidsintensieve landbouw."

Volgens de Duitse hoogleraar zit het probleem van de Oosteuropese landbouw inderdaad in de externe factoren die Van Stolk noemt. Dat loopt allemaal ontzettend moeizaam. In zo'n klimaat zijn het alleen de kleine bedrijven die kunnen overleven. Omdat het gezinsbedrijven zijn waar veelal parttime geboerd wordt."

Hagedorn vindt de stelling van Van Stolk dat de structuur van de Oosteuropese landbouw moet veranderen voordat sprake kan zijn van toetreding, fout. We moeten het accepteren, want de economische krachten zullen de structuur de eerstkomende jaren niet veranderen. In West-Europa kwam een structuurverandering op gang door een stijging van de lonen buiten de landbouw. Maar in Oost-Europa zal dat voorlopig niet gebeuren. Dus moet de Europese Unie accepteren dat er sprake is van verschillende structuren, grotere bedrijven in het Westen en kleinere in het Oosten. Er komt een grote varieteit, niet iedereen zal schaalvergroten en je mag niet zeggen dat dat inefficient is. In Oost-Europa is het wel rationeel om een klein boerderijtje te hebben en daarnaast ergens anders te werken, omdat er veel onzekerheid heerst."

Prijsondersteuning

Van Stolk adviseert de Europese Commissie om te werken met prijsondersteuning in de Oosteuropese landen, teneinde de landbouw daar uit het slop te halen. Landen als Polen en Hongarije zijn daar al mee bezig, maar ondersteunen hun boeren te veel. Van Stolk: Tarwe wordt daar opgekocht voor 120 dollar per ton, terwijl wij een interventieprijs van 80 adviseren. Dat werkt verspilling in de hand en uiteindelijk zitten ze met een hoger prijsniveau dan waar wij naartoe willen. Met behulp van heffingen aan de grens kunnen we ze dwingen om op een lager niveau te gaan zitten."

Hagedorn meent dat de adviseur een belangrijk punt vergeet. Het EU-beleid bestaat uit inkomensondersteuning in combinatie met produktiebeheersing in de vorm van quota en set aside. Als onze markt nu reeds gedeeltelijk wordt opengesteld voor CEEC-landen en prijsondersteuning wordt toegestaan, dan moet je ze ook vragen om de produktie te reguleren. Van Stolk vindt dat de prijzen moeten worden vastgelegd op een market clearing level (niveau waarbij verbruik gelijk is aan produktie, red.), maar dan vraag ik mij af: waarom deden wij dat niet? We moeten erop voorbereid zijn dat er ook in de Oosteuropese landen overschotten ontstaan."

EU-rapporten

Van Stolk en Hagedorn wijken in hun adviezen en bedenkingen erg af van de vier EU-rapporten over deze problematiek in opdracht van commissaris Sir Leon Brittan van Buitenlandse handel. Van Stolk: Brittan wil het Europees landbouwbeleid afbreken. Vanaf het begin was duidelijk dat de uitkomsten van de studies zouden zijn dat er geen mogelijkheid tot integratie is zonder afbraak van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Maar het is niet waar dat het beleid per se meteen moet veranderen. We zullen langzaam dalen in prijs, terwijl de prijzen in het Oosten langzaam stijgen. Ergens in het midden zullen we elkaar treffen. Een drastische verandering van het beleid is allerminst te verwachten. Binnen de EU zijn alleen Nederland, althans minister Van Aartsen van Landbouw, en Engeland hiervoor, de overige lidstaten vinden het na de MacSharry-hervormingen wel weer even welletjes. Er zal minstens tien jaar over heen gaan."

Via verdragen en contracten kan de Westeuropese markt gedeeltelijk worden opengesteld, menen Hagedorn en Van Stolk. Het probleem van informatievoorziening blijft echter bestaan. Daarom moet de EU een groep deskundigen in de landbouw vormen die gaat samenwerken met officiele organen in de CEEC-landen. Ook moet in elk Oosteuropees land een landbouwattache namens de Europese Unie worden geplaatst. Er moeten regelmatig bijeenkomsten worden georganiseerd, zodat eensluidende concepten ontstaan. Hagedorn: Door de bijeenkomsten wordt human capital gecreeerd dat de landen helpt om beslissingen te nemen over bijvoorbeeld marktvorming en infrastructuur."

Re:ageer