Wetenschap - 1 januari 1970

Konijnen moeten niet te snel gedekt worden

Konijnen moeten niet te snel gedekt worden

Konijnen moeten niet te snel gedekt worden


In de commerciële konijnenhouderij worden de vrouwelijke konijnen te vroeg
moeder. Hierdoor krijgen ze te kampen met gezondheids- en
voortplantingsproblemen. Door een paar weken later te dekken en bovendien
de voeropname tijdens de opfok te beperken, kan volgens promovenda ing.
Jorine Rommers veel leed voorkomen worden.

‘Het gemiddelde vervangingspercentage van voedsters wordt geschat op 170
procent’. Uit deze zin in het proefschrift van Rommers valt af te leiden
dat een gemiddelde voedster, een vrouwelijk konijn, binnen een jaar wordt
afgeschreven. Rommers: ,,Er zijn voedsters die een paar jaar meegaan en
tientallen worpen afleveren. Maar vooral de jonge voedsters komen problemen
tegen. Die halen vaak nog geen drie worpen en worden soms al binnen een
half jaar afgevoerd.’’ De voeropname van de jonge moeders tijdens de eerste
melkgift is het grootste probleem. Die blijkt niet toereikend om de
productie van melk en een volgende worp zeker te stellen. De voedsters
teren in op hun reserves en waarschijnlijk neemt daardoor hun weerstand af,
meent Rommers.
Energierijker voer geven of de volgende worp uitstellen bleek hiervoor geen
echte oplossing te bieden. Rommers heeft zich daarom toegelegd op het
optimaliseren van de lichaamsontwikkeling van de voedsters voordat zij zich
mogen voortplanten. Zij deed het onderzoek bij het voormalige
Praktijkonderzoek voor de Pluimveehouderij in Beekbergen (tegenwoordig
Praktijkonderzoek van de Animal Sciences Group), waar het onderzoek voor
‘kleine takken’ als de konijnen- en pelsdierenhouderij was ondergebracht.
De houderij van vleeskonijnen is een kleine sector binnen de Nederlandse
veehouderij. Er worden zo’n 50.000 voedsters gehouden op nog geen
tweehonderd bedrijven. Het merendeel van de vleeskonijnen is voor de
export, want in Nederland wordt weinig konijnenvlees gegeten.
Volgens Rommers heeft de opfokperiode veel impact: ,,Op jonge leeftijd
vindt vooral een hoge groei van organen en weefsels plaats. Voor de
puberteit gaat de groei vooral zitten in eiwitopbouw, die in de vorm van
vlees wordt aangezet. Na tien tot twaalf weken komen de voedsters in de
puberteit en daarna is er voornamelijk sprake van de aanzet van vet.’’ De
meeste voedsters worden al snel na de puberteit, op een leeftijd van
ongeveer 14,5 weken, gedekt of geïnsemineerd.
Uit het onderzoek van Rommers blijkt dat de dieren dan nog niet toe zijn
aan de voortplanting. Wacht je nog drie weken met de eerste paring, tot de
dieren zo’n vier kilogram wegen, dan zijn de resultaten beter. Met name de
dieren die beperkt worden gevoerd. De voedsters die onbeperkt voer hebben
gekregen zijn vetter en nemen minder voer tot zich tijdens de eerste
dracht. Dit betekent dat meer jongen dood worden geboren. De belangrijkste
boodschap voor de konijnenhouders is volgens Rommers dat ze voedsters de
tijd geven om zich te ontwikkelen. ,,Vanwege de hoge aaibaarheidsfactor van
konijnen heeft de sector snel te kampen met imagoproblemen’’, aldus
Rommers. Zij verwacht dan ook dat haar onderzoeksresultaten snel zullen
worden opgepikt. | G.v.M.

Jorine Rommers promoveerde op vrijdag 21 november bij prof. Bas Kemp,
hoogleraar Adaptatiefysiologie, en prof. Jos Noordhuizen, hoogleraar
Epidemiologie in Utrecht.

Fotoschrift:
Een voedster met jongen. Vooral jonge voedsters krijgen vaak te maken met
gezondheidsproblemen omdat ze te sterk interen op hun reserves | Foto
Jorine Rommers

Re:ageer