Wetenschap - 1 januari 1970

Konijn is soms betere natuurbeschermer dan koe

Konijn is soms betere natuurbeschermer dan koe

Konijn is soms betere natuurbeschermer dan koe


Onderzoek van biologe drs Liesbeth Bakker naar de effecten van begrazing op
de plantenrijkdom in graslanden laat zien dat konijnen soms te prefereren
zijn boven koeien. Koeienvlaaien belemmeren de groei van jonge plantjes.

Bakker verrichte haar veldonderzoek in een Overijssels natuurreservaat van
Staatsbosbeheer, het Junner Koeland, een stuk uiterwaard dat omsloten wordt
door een oude rivierarm. Hier worden koeien ingezet om de plantenrijkdom te
vergroten, maar er zitten van nature ook een groot aantal konijnen.
Koeien zijn goed in het verspreiden van plantenzaden doordat ze over een
groot gebied hun koeievlaaien deponeren, maar diezelfde koeievlaaien hebben
een nadeel. Bakker nam waar dat het gras rond koeievlaaien door de extra
nutriëntenstoot erg hoog wordt, waardoor de kiemplanten te veel in de
schaduw komen te staan en niet goed opkomen.
Konijnen verspreiden minder zaden via mest dan koeien, maar de opkomende
plantjes hebben dikwijls meer kans. Ze worden niet snel overschaduwd door
omringende planten. Die krijgen niet zo'n grote nutriëntenstoot als rondom
een koeivlaai. Bakker ontdekte in haar proefveldjes dat de meeste
natuurlijke kale plekken waren gemaakt door konijnen en ook mollen en niet
door koeien. Juist die kale plekken in een grasland zijn belangrijk als
hervestigingsmogelijkheid als een plantensoort ergens lokaal verdwijnt,
stelt Bakker. Zij bewees dit ook met haar zaaiexperimenten met vier
kruidensoorten; het kiemingssuces verbeterde aanzienlijk in kunstmatig
gecreëerde open plekken met kale grond.
Konijnen stimuleren een gevarieerde plantengroei ook op een andere manier,
ontdekte Bakker. Haar tellingen van konijnenkeutels wezen op een
geleidelijke afname in graasactiviteiten op grotere afstand van de holen,
en dit zorgt voor een ruimtelijke variatie in vegetatiehoogte en biomassa.
De biologe benadrukt wel dat het moeilijk is algemene conclusies te trekken
over welk dier nu het beste ingezet kan worden om de biodiversiteit te
behouden of vergroten. Het hangt af van onder andere lokale bodemcondities,
de plantensoorten die men wil stimuleren en de grootte van de
dierpopulaties. Bakker pleit dan ook niet voor het op grote schaal
uitzetten van bijvoorbeeld konijnen.
Konijnen kunnen ook de ontwikkeling van een gevarieerde plantengroei
verhinderen. Vooral in uiterwaarden verjongen eiken zich dikwijls in zones
waar ze beschermd worden door stekelplanten zoals sleedoorns. Bakker liet
met een experiment zien dat jonge eikjes echter niet aanwezig waren juist
in de gebieden met een grote konijnenpopulatie. Deze dieren eten zowel het
struweel als de eikjes op. Koeien daarentegen laten het beschermende
struweel staan, waardoor zich wel een mozaïek van grasland, struweel en bos
kan vormen. | H.B.

Bakker promoveert op 23 september bij prof. Frank Berendse, hoogleraar
Natuurbeheer en plantenecologie, en prof. Han Olff, hoogleraar
Plantenecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Fotobijschrift:
Koeienvlaaien vormen een belemmering voor de groei van jonge plantjes.
Konijnenkeutels verspreiden minder zaden, maar geven opkomende plantjes wel
meer kansen. | foto G.A.

Re:ageer