Student - 19 juni 2008

Kommetjes meten in Ecuador

De vriendinnen Astrid Takkenberg en Suzanne Zimny, allebei vijfdejaars Voeding en gezondheid, waren samen vier maanden in Ecuador. Ze onderzochten de ijzerinname van kinderen in een klein Andesdorpje. De contrasten met de hoofdstad, waar ze ook geregeld verbleven, vonden ze schrijnend.

nieuws_2333.jpg
Suzanne: ‘Ons onderzoek is onderdeel van het grote Wageningse project Telfun, dat ook in India en Ghana loopt. In elk land zijn vier PhD’ers uit verschillende wetenschappelijke disciplines aangesteld die samen onderzoeken hoe de levenskwaliteit van arme mensen kan worden verbeterd. Wij werden begeleid door een Ecuadoriaanse voedingsonderzoekster.’
Astrid: ‘Zij had een heel mooi appartementje voor ons geregeld in de hoofdstad Quito, dicht bij de privé-universiteit waar we aan ons onderzoek werkten. Delen van Quito zijn rijk en Westers, meer dan we hadden verwacht. Dat maakte het aanpassen in Quito best wel gemakkelijk.’
Suzanne: ‘De eerste twee weken volgden wij een taalcursus. Daarna zijn we Ecuadoriaanse studenten gaan trainen die ons zouden helpen met het veldwerk. Om erachter te komen hoeveel ijzer kinderen binnenkrijgen, gebruikten wij de ’24 hour recall’-methode. Dat houdt in dat je aan moeders vraagt wat hun kinderen de afgelopen 24 uur hebben gegeten. Er is een manier om dit het beste te doen, zodat de moeders zich het meeste kunnen herinneren. Die leerden wij aan de studenten.’
Astrid: ‘Ook zijn we vóór het onderzoek naar het dorp gegaan om te kijken welke kommetjes en borden mensen in huis hadden. Tot ons geluk gebruikte het hele dorp bijna hetzelfde servies. Hierdoor konden we streepjes in kommetjes aanbrengen bij bepaalde hoeveelheden, om het voor de moeders makkelijker te maken om antwoord te geven op de vraag hoeveel een kind gegeten heeft.’
Suzanne: ‘Ons veldwerk in het dorp duurde twee weken. Daarbij hoorde naast het vragen stellen ook dat we kinderen wogen en opmaten. Het was aan de ene kant heel leuk om met die kindjes te werken, maar aan de andere kant soms ook wel moeilijk. Als kinderen hun kleren uittrokken zag je dat de meisjes onder hun rokjes vaak bijna niets aanhadden, soms niet eens ondergoed. Dat terwijl het buiten ontzettend koud was en wij een muts en sjaal droegen. De jongens waren vaak beter gekleed, maar ook die hadden bijvoorbeeld soms te kleine schoenen aan waardoor hun voetjes vergroeid waren.’
Astrid: ‘De contrasten met de hoofdstad waren enorm. Zeker omdat wij op een privé-universiteit werkten, waar echt de crème de la crème van de bevolking rondloopt. Daar hebben we het soms wel moeilijk mee gehad. Maar deze universiteit bood wel de mogelijkheden om goed onderzoek te doen, waardoor misschien de situatie in het dorp uiteindelijk ook wordt verbeterd.’

Re:ageer