Wetenschap - 1 januari 1970

Koe met gouden hoorns bestaat niet

In honderdvijftig jaar tijd heeft de veestapel op Java forse verandering ondergaan. Veel nuttige rassen zijn er zo goed als verloren gegaan. Oorzaak: de Nederlandse koloniale overheid had weinig zicht op het gebruik van vee door boeren, en fokte de rassen die niet aansloten bij hun behoeftes.

‘De koe met de gouden hoorns is een utopie’, zegt dr. Martine Barwegen na vier jaar historisch en antropologisch onderzoek naar vee op het Indonesische eiland Java. Ze bedoelt daarmee dat de pogingen van Nederlandse kolonialen op Java om een groter en sterker ras te fokken averechts hebben gewerkt. Het idee was het maken van één ras dat alle nuttige eigenschappen in zich verenigde. Maar daarmee gingen de kolonialen voorbij aan de vele verschillende vormen van gebruik van vee op Java. De eisen aan de nieuwe rassen, zoals gewenst door de suikerindustrie en het leger, kwamen niet overeen met de noden van boeren. Veel lokale, kleinere rassen met nuttige eigenschappen zijn daardoor bijna verdwenen. Dat is jammer, want veel van die rassen zijn bijvoorbeeld minder gevoelig voor dierziektes.
De ontwikkeling begon met het kruisen met, en later introduceren van grotere paardenrassen dan tot die tijd op Java aanwezig waren. Het leger in Nederlands-Indië wilde grotere paarden hebben dan de inlandse pony’s, die dan ook gaandeweg helemaal verdwenen zijn. Maar ook veel lokale rundveerassen zijn zo goed als verloren gegaan, doordat de Nederlandse veeartsen voor de groeiende suikerproductie grotere en sterkere trekdieren wilden fokken.
Rond 1920 werd op Java massaal de Ongole uit India geïntroduceerd, een groter rund. Die werd gekruist met het Javavee, waaruit de Peranakan-Ongole ontstond. Die introductie leidde tot het verdwijnen van het kleinere Javavee, een eeuwenoud ras. De boeren adopteerden het grotere vee omdat het ze status gaf, maar in de praktijk was het niet altijd handig. Ze hadden bijvoorbeeld meer voer nodig en gaven de ploeg een grotere draaicirkel, terwijl de velden door de groeiende bevolkingsdruk juist steeds kleiner werden. Voor de buffel en de banteng, vanouds belangrijke rassen, hadden de Nederlanders weinig aandacht, waarschijnlijk omdat die dieren zo veel verschilden van de Nederlandse veestapel.
In de jaren zeventig zette de Indonesische overheid een tweede verandering in de veestapel op gang. De overheid wilde de groeiende bevolking zelfvoorzienend maken wat betreft vlees en melk, en introduceerde Australische vleesrunderen. Maar ook die vroegen meer voer, en waren niet aangepast aan het klimaat. Een eeuwenlange selectie in lokale rassen ging daarmee verloren.
Toch werden enkele lokale rassen ook beschermd. Maduravee en Balivee, twee inheemse rassen van de eilanden Madura en Bali, werden bijvoorbeeld beschermd door een verbod op import van andere rassen naar de eilanden. Maar van het Javavee zijn nog maar duizend stuks op Oost-Java te vinden. En de moderne rassen, een mengelmoes waarin weinig meer te herkennen is van de Peranakan-Ongole, dreigen er de overhand te nemen.
De overheid zou meer kunnen doen voor het behoud van lokale rassen, denkt Barwegen. Vooral door beter te luisteren naar de boeren die nog weten welke nuttige eigenschappen lokale rassen hebben. Ook onderzoekers op universiteiten zouden beter moeten luisteren naar de boeren. ‘Sinds de oprichting van de Binnenlandse Veiligheidsdienst is de communicatie tussen de overheid, wetenschappers en de boeren minimaal. Het beleid is top-down gekarakteriseerd, en de universiteiten hebben vrij weinig contact met de veehouder. Hierdoor wordt de kennis waarover de veehouder beschikt nauwelijks door de overheid en de onderzoekers benut.’ / JT

Dr. Martine Barwegen is op 20 december 2005 gepromoveerd bij prof. Akke van der Zijpp, hoogleraar Dierlijke productiesystemen.

Re:ageer