Wetenschap - 11 februari 2010

Klimaatonderzoekers: fouten geen boze opzet

Het IPCC moet fouten in haar klimaatrapporten ruiterlijk erkennen en publiceren op de eigen website. Dat schrijven Nederlandse klimaatwetenschappers onder leiding van de Wageningse professor milieusysteemanalyse Rik Leemans in een open brief aan de Tweede Kamer.

De onderzoekers vinden de reacties op de geconstateerde fouten buiten proporties. Ze erkennen de gemaakte fouten, maar wijzen erop dat die niets afdoen aan de constatering dat de mens het klimaat verandert. Bovendien is er volgens de onderzoekers van opzet geen sprake. In de brief wordt de werkwijze van het IPCC uit de doeken gedaan. De gevolgde procedures zijn volgens Leemans en de zijnen grondig en transparant, maar niet feilloos. Leemans wil dat het IPCC een 'erratum' bijhoudt. 
Hieronder de volledige tekst van de brief.
Open brief Nederlandse onderzoekers over IPCC en over
fouten in Klimaatrapport 2007

Fouten in het IPCC klimaatrapport worden thans door sommigen aangegrepen om de
hele klimaatwetenschap in diskrediet te brengen. In de Tweede Kamer zijn
klimaatwetenschappers onlangs zelfs neergezet als 'bedriegers' en 'klimaatmaffia'.
Zulke kwalificaties missen grond in de feiten en zijn daarom misplaatst. Dat het IPCC
niet onfeilbaar is, maakt haar hoofdconclusies nog niet onwaar of gekleurd. Wel zou
het IPCC grootmoediger moeten worden in het snel en openlijk erkennen en
corrigeren van fouten.
Met deze open brief vanuit de wetenschap beogen wij het ontstane beeld bij te stellen.
Wij vragen om de discussie dichter bij de feiten te houden. We gaan achtereenvolgens
in op de hoofdboodschap uit de klimaatwetenschap, op de werkwijze van het IPCC en
op de kwaliteitsborging van het IPCC. We sluiten af met handreikingen voor
verbetering van ons werk en herstel van het gedeukte vertrouwen in de
klimaatwetenschap.
Het klimaatprobleem
Sinds 1990 is de kennis over en de ernst van klimaatverandering als gevolg van
menselijk handelen snel toegenomen. Belangrijke componenten van het
klimaatsysteem zijn daarbij binnen de natuurwetenschap goed begrepen. Het staat
vast dat de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer sterk is toegenomen sinds de
industriële revolutie. Dat deze broeikasgassen in de atmosfeer een hoofdrol spelen bij
de temperatuur aan het aardoppervlak is elementaire fysica. Door de toename van
broeikasgassen verandert de balans van de warmtestraling van de aarde, waardoor
deze zeer waarschijnlijk opwarmt. Een wereldwijde opwarming van ruim een halve
graad in de afgelopen eeuw is al waargenomen. Door een na-ijleffect op de al
gerealiseerde toename van broeikasgassen in de atmosfeer stijgt de
wereldgemiddelde temperatuur naar verwachting in de komende decennia verder met
tenminste 1°C.
 
De toename van broeikasgassen komt hoofdzakelijk door de wijze waarop kolen, olie
en aardgas worden gebruikt en door ontbossing. De onzekerheden over de
toekomstige uitstoot van broeikasgas en de effecten daarvan zijn groot. Studies van
gerenommeerde onderzoeksgroepen laten zien dat bij onbelemmerde voortzetting van
de uitstoot van broeikasgassen de wereldwijde opwarming ook doorzet, met 1,1 tot
6,4°C in 2100 (ten opzicht van de periode 1980-1999). Mede doordat er in het
klimaatsysteem tal van kantelpunten zitten, kan dit al in de komende honderd jaar
deels onvoorspelbare en mogelijk verstrekkende en onomkeerbare gevolgen hebben
voor mens en natuur.
In het akkoord van Kopenhagen is afgesproken dat gevaarlijke verstoring van het
klimaatsysteem voorkomen moet worden en dat daarom de wereldgemiddelde
opwarming moet worden beperkt tot maximaal 2°C (ten opzichte van pre-industrieel).
Onderzoek laat zien dat dit economisch en technisch mogelijk is met
emissiereducerende maatregelen en door veranderingen in het consumptiepatroon.
 
Het IPCC en Klimaatrapport 2007
In 1988 is door de World Meteorological Organization (WMO) en het United Nations
Environment Programme (UNEP) het Intergovernmental Panel on Climate Change
(IPCC) opgericht met als doel beleidmakers regelmatig te voorzien van een zorgvuldig
afgewogen overzicht van de stand van kennis over het klimaatvraagstuk. IPCC is een

open netwerkorganisatie die gebruik maakt van gerenommeerde deskundigen uit heel
de wereld, vooral van universiteiten, waaronder de meeste Nederlandse universiteiten,
en van onderzoekinstellingen zoals in ons land KNMI, ECN, en PBL. In IPCC werken
thans 194 landen samen, waaronder Nederland.
IPCC brengt om de circa zes jaar een klimaatrapport uit, het meest recente in 2007.
Dit rapport omvat drie deelrapporten over: de natuurwetenschappelijke basis
(Werkgroep I); gevolgen, kwetsbaarheid en aanpassing (Werkgroep II); en
oplossingen (Werkgroep III). De 2007-rapporten zijn geschreven door circa 44
schrijfteams, met in totaal 450 hoofdauteurs. Die auteurs zijn op grond van hun
expertise geselecteerd, met inspraak van alle 194 deelnemende landen. Nog eens
800 wetenschappers hebben tekstbijdragen aangeleverd over specifieke aspecten.
Het gehele proces van IPCC wordt ondersteund door vier Technical Support Units
(TSU's), ieder met 5-10 medewerkers.
Fouten in het IPCC rapport
Wij hebben kennis genomen van de commotie rond de fouten die zijn vastgesteld in
het rapport van 2007, vooral in deelrapport II. Het onjuiste jaartal voor het verdwijnen
van de Himalaya gletsjers en het onjuiste percentage 'land volledig beneden
zeeniveau' zijn voorbeelden van fouten die ruiterlijk moeten worden erkend en
rechtgezet. Zij doen echter niets af aan de hoofdconclusie dat de mens het klimaat
zeer waarschijnlijk verandert, met op termijn ingrijpende gevolgen.
In verhitte discussies die rond deze fouten zijn ontstaan, zijn vragen gerezen over de
kwaliteit en integriteit van het IPCC. De kwaliteitsborging van het IPCC blijkt niet
waterdicht. Maar het beeld dat er opzettelijk is geknoeid met wetenschappelijke kennis
vindt geen grond in de feiten.
Ook het beeld dat de hoofdconclusies van het rapport afhangen van dubieuze bronnen
wijzen wij met kracht van de hand. De referentielijst van het circa drieduizend
bladzijden tellende klimaatrapport verwijst naar ruwweg 18.000 bronnen waarvan het
overgrote deel gepeerreviewde wetenschappelijke studies betreft. Voor het
verantwoord omgaan met zogeheten grijze bronnen geeft IPCC een heldere richtlijn.
Bij de Himalayafout is die richtlijn niet goed nageleefd. Die naleving behoeft bij nieuwe
rapportages extra aandacht.
Kwaliteitsborging binnen IPCC
Het beeld dat IPCC geen goede procedure zou hebben om kwaliteit te waarborgen is
onjuist. De werkwijze en kwaliteitsborging van het IPCC zijn vastgelegd in een richtlijn1
voor het zogeheten peer-review proces. Deze richtlijn wordt doorlopend geëvalueerd
en herzien. Ook zijn op een website2 per hoofdstuk alle stappen in het schrijf- en
reviewproces terug te vinden: de First Order Draft, de commentaren van vele
wetenschappers daarop, de herziene Second Order Draft waarin al dit commentaar is
verwerkt, en de commentaren van wetenschappers en landenvertegenwoordigers op
deze herziene versie. Bij het laatste rapport gaven 2.500 referenten samen ca. 90.000
commentaarpunten op de 44 hoofdstukken. Voor elk afzonderlijk commentaarpunt is
door de betreffende auteurs met argumenten aangegeven hoe dat commentaar is
verwerkt. Daarbij zien review-editors erop toe dat al het commentaar eerlijk en correct
behandeld en verwerkt wordt. Als afsluiting van de procedure ondertekenen zij
hierover een verklaring.
1 Zie www.ipcc.ch/pdf/ipcc-principles/ipcc-principles.pdf en
www.ipcc.ch/pdf/ipcc-principles/ipcc-principles-appendix-a.pdf
2 www.ipcc-wg2.gov/publications/AR4/ar4review.html

De IPCC richtlijn schrijft ook voor hoe schrijfteams om moeten gaan met niet
gepeerreviewde bronnen en nog ongepubliceerd werk. Deze richtlijn onderkent dat in
wetenschappelijke tijdschriften weinig te vinden is over zaken als hoeveel
emissiebeperkende maatregelen in verschillende sectoren en landen mogelijk zijn, en
over de kwetsbaarheid van die sectoren en landen voor klimaatverandering. Deze
kennis staat vaak in rapporten van onderzoeksinstituten, verslagen van workshops en
congressen of publicaties van de industrie en andere organisaties, de zogenaamde
grijze bronnen. De IPCC richtlijn schrijft voor dat grijze bronnen kritisch bekeken
moeten worden. Elk schrijfteam is verplicht de kwaliteit en de validiteit grondig te
checken voordat een bevinding uit een grijze bron mag worden gebruikt. Elke bron
moet volledig traceerbaar zijn. Van nog ongepubliceerde bronnen moet een kopie aan
het IPCC secretariaat worden overgelegd zodat deze bronnen beschikbaar zijn als
anderen ernaar vragen.
Wij concluderen dat de IPCC procedures transparant en grondig zijn, ook al zijn zij niet
feilloos. Het schrijven van IPCC rapporten en de kwaliteitsbewaking daarvan blijft
immers mensenwerk. Een garantie op een foutvrij rapport is een onhaalbaar ideaal,
hoezeer dat ook gewenst is. Wel is het essentieel de procedure steeds weer te
evalueren en waar nodig aan te scherpen, door lessen te trekken uit de gebleken
fouten.
Hoe verder
Ondertussen heeft het vertrouwen van publiek en politiek in het wetenschappelijk
fundament van het klimaatbeleid een deuk opgelopen door de ontstane beeldvorming
en de in onze ogen disproportionele commotie. Dit is zorgwekkend omdat het
klimaatvraagstuk ernstig en urgent is. Ondanks de geconstateerde fouten blijven de
eerder geschetste robuuste hoofdconclusies van het IPCC overeind staan.
IPCC zou grootmoediger moeten worden in het snel en openlijk erkennen en
corrigeren van fouten. Hiervoor zou het IPCC een erratum op haar website moeten
bijhouden van alle na publicatie aan het licht gekomen fouten. Daarbij moet wel scherp
onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds fouten binnen de weergave van de
kennis van toen en anderzijds voortschrijdend inzicht. Voortschrijdend inzicht wordt in
nieuwe publicaties vastgelegd en verwerkt in het eerstvolgende klimaatrapport; dit
komt dus niet in het erratum.
Het klimaatonderzoek en de rapportages van het IPCC over de stand van kennis
leveren een wetenschappelijk fundament voor het voeren van klimaatbeleid. De
kwaliteit en gebalanceerdheid van de geleverde kennis en het expliciet aangeven van
de onzekerheden daarin, hebben wij, net als het IPCC, hoog in het vaandel.
Gezien de commotie van de afgelopen dagen, hechten wij er belang aan na te gaan
hoe we kunnen bijdragen een oplossing te zoeken. Wij zullen ons inzetten om vanuit
de onderzoekswereld - zo mogelijk met betrokkenheid van de KNAW - het hele IPCC
proces kritisch te evalueren. Dit moet leiden tot zowel het nog beter tegengaan van
fouten, als het adequaat corrigeren van fouten zodra deze worden geconstateerd.
 
10 februari 2010

Ondertekenaars
01. Prof. Wim Turkenburg, Universiteit Utrecht
02. Prof. Rik Leemans, Wageningen Universiteit
03. Prof. Hans Opschoor, Institute of Social Studies, Den Haag
04. Dr. Bert Metz, European Climate Foundation / voormalig co-voorzitter IPCC Werkgroep III
05. Prof. Rien Aerts, Vrije Universiteit Amsterdam
06. Prof. Theo Beckers, Universiteit van Tilburg
07. Prof. Frans Berkhout, Vrije Universiteit Amsterdam
08. Prof. Frank Biermann, Vrije Universiteit Amsterdam
09. Prof. Kornelis Blok, algemeen directeur Ecofys, Utrecht / Universiteit Utrecht
10. Prof. Henk Brinkhuis, Universiteit Utrecht
11. Dr. Stefan Dekker, Universiteit Utrecht
12. Prof. Peter Driessen, Universiteit Utrecht
13. Prof. Klaas van Egmond, Universiteit Utrecht
14. Prof. Nick van de Giesen, TU Delft
15. Prof. Joyeeta Gupta, Vrije Universiteit Amsterdam
16. Prof. Jan Hendriks, Radboud Universiteit Nijmegen
17. Dr. Ton Hoff, directievoorzitter ECN, Petten
18. Prof. Bert Holtslag, Wageningen Universiteit
19. Prof. Jef Huisman, Universiteit van Amsterdam
20. Dr. Gjalt Huppes, Universiteit Leiden
21. Prof. Bart van den Hurk, Universiteit Utrecht / KNMI
22. Prof. Ekko van Ierland, Wageningen Universiteit
23. Dr. Ron Janssen, Vrije Universiteit Amsterdam
24. Prof. Pavel Kabat, Wageningen Universiteit
25. Prof. Gert Jan Kramer, TU Eindhoven
26. Prof. Carolien Kroeze, Wageningen Universiteit / Open Universiteit Nederland
27. Prof. Maarten Krol, Wageningen Universiteit
28. Dr. Lambert Kuijpers, TU Eindhoven
29. Dr. Lucas Lourens, Universiteit Utrecht
30. Prof. Pim Martens, Universiteit Maastricht
31. Prof. Arthur Mol, Wageningen Universiteit
32. Prof. Henri Moll, Rijksuniversiteit Groningen
33. Prof. Paul Opdam, Wageningen Universiteit
34. Prof. Paquita Perez Salgado, Open Universiteit Nederland
35. Dr. Ad Ragas Radboud Universiteit Nijmegen
36. Dr. Max Rietkerk, Universiteit Utrecht
37. Prof. Lucas Reijnders Universiteit van Amsterdam
38. Prof. Jan Rotmans, Erasmus Universiteit Rotterdam
39. Prof. Paul van Seeters, Universiteit van Tilburg
40. Prof. Anton Schoot Uiterkamp, Rijksuniversiteit Groningen
41. Dr. Appy Sluijs, Universiteit Utrecht
42. Prof. Geert de Snoo, Leiden Universiteit
43. Prof. Gert Spaargaren, Wageningen Universiteit
44. Prof. Jef Vandenberghe, Vrije Universiteit Amsterdam
45. Prof. Anne van der Veen, Universiteit Twente
46. Prof. Pier Vellinga, Wageningen Universiteit
47. Prof. Herman Verhoef, Vrije Universiteit Amsterdam
48. Dr. Pita Verweij, Universiteit Utrecht
49. Prof. Martin Wassen, Universiteit Utrecht
50. Prof. Pieter Winsemius, Universiteit van Tilburg
51. Prof. Ernst Worrell, Universiteit Utrecht
52. Prof. Sjoerd van der Zee, Wageningen Universiteit
53. Prof. Bert van der Zwaan, Universiteit Utrecht
 
 
 
 

Re:ageer