Wetenschap - 24 november 2005

Klimaatbestendig Nederland

Het is kosteneffectiever om nu aanpassingen te doen aan toekomstige klimaatveranderingen dan om te wachten tot er drastische maatregelen nodig zijn, stelt prof. Pavel Kabat van Alterra. En als Nederland nu die weg inslaat, kan het een gidsland worden op het gebied van de gevolgen van klimaatverandering. De eerste stappen worden volgens de klimaatonderzoeker al gezet.

Pavel Kabat. / foto Guy Ackermans

Klimaatonderzoeker prof. Pavel Kabat, wetenschappelijk directeur van het Bsik-onderzoeksprogramma Klimaat en ruimte, pleit al jaren voor meer aandacht voor de gevolgen van klimaatverandering. In de inaugurele rede die hij in 2004 hield als hoogleraar Klimaathydrologie aan Wageningen Universiteit, zei hij bijvoorbeeld dat het bestrijden van de klimaatverandering alleen niet voldoende is. Want ook al lukt het om de uitstoot van broeikasgassen stop te zetten, dan nog duurt het honderden jaren voor de temperatuur stabiel wordt.
Mensen moeten dus meer aandacht gaan besteden aan de gevolgen die de klimaatverandering heeft voor hun dagelijks leven. Dat betekent meer aandacht voor wat klimaatwetenschappers ‘adaptatie’ noemen. Voorbeelden daarvan zijn het verhogen van dijken of het aanwijzen van overloopgebieden. Tot nu toe was daar weinig aandacht voor. Het leeuwendeel van zowel het klimaatonderzoek als het klimaatbeleid was steeds gericht op ‘mitigatie’, het tegengaan van de oorzaken van klimaatverandering, zoals de uitstoot van broeikasgassen.

Koersverandering
Inmiddels lijkt het er echter op dat wetenschappers en beleidmakers hun koers veranderen. Adaptatie mag zich plotseling in een enorme belangstelling verheugen. Zo werd Kabat samen met collega's van Alterra en de Vrije Universiteit gevraagd een artikel te schrijven voor Nature over de manier waarop Nederland omgaat met de gevolgen van klimaatverandering. Vier ministeries hebben bekendgemaakt dat ze tweehonderd miljoen euro uittrekken voor het vierjarige onderzoeksprogramma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK). En er wordt gewerkt aan een nieuw topinstituut voor dit onderwerp.
Het besef dat er meer aandacht moet komen voor adaptatie is volgens Kabat in de afgelopen twee jaar gegroeid. 'Wetenschappelijk en beleidsmatig is het nu in balans. In de Verenigde Staten moeten wetenschappers de politiek nog overtuigen, maar in Nederland staan politici, beleidsmakers en wetenschappers met de neuzen in dezelfde richting.' Dat blijkt uit de plannen voor het nieuwe onderzoeksprogramma, maar ook uit het feit dat Kabat zijn boodschap dinsdag 29 november mag brengen aan premier Jan Peter Balkenende en staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Melanie Schultz.
Nederland loopt hiermee volgens Kabat voorop. In Nature beschrijft hij de manier waarop private partijen ideeën lanceren, zoals drijvende woningen en kassen, die uiteindelijk zullen leiden tot nieuwe vormen van ruimtegebruik. Maar ook nieuwe financieringsmogelijkheden moeten volgens de Nederlandse klimaatwetenschappers worden onderzocht. Zodat bijvoorbeeld de Nederlandse boeren in het veenweidegebied - normaal een bron van broeikasgas CO2 - met de verkoop van carbon credits geld kunnen verdienen als ze het waterpeil verhogen.
In het artikel van Amerikaanse klimaatonderzoekers die in hetzelfde nummer van Nature de Amerikaanse stand van zaken beschrijven, komt een heel ander beeld naar voren. 'Die hebben het nog over het bouwen van tien meter hoge muren rondom het land', aldus Kabat.
Zowel Nederlandse wetenschappers als beleidsmakers beseffen volgens Kabat dat de oplossing voor de klimaatverandering niet ligt in het simpelweg verhogen van dijken, maar dat het klimaat in de toekomst een centrale rol moet spelen in de ruimtelijke ordening. Want klimaatverandering leidt niet overal tot dezelfde gevolgen, en zal dus op elke plek anders moeten worden opgevangen.

‘Dit is dé kans is voor Nederland om gidsland te worden’
Ark
Kabat denkt dat het door Wageningen UR geleide Bsik-programma Klimaat en Ruimte in Nederland een 'cruciale rol' heeft gespeeld bij de bewustwording, omdat in dat programma direct een verband wordt gelegd tussen de wat abstracte klimaatontwikkeling en de dagelijkse praktijk van het menselijke ruimtegebruik. De wetenschap moet zich dan ook meer gaan richten op het lokaal vertalen van de gevolgen die de klimaatverandering heeft. Promovendus dr. Marc Metzger van de leerstoelgroep Milieusysteemanalyse ontwikkelde bijvoorbeeld een computerprogramma waarmee de effecten van klimaatverandering op Europese schaal met elkaar zijn te vergelijken.
De overheid zal zich volgens Kabat minder sectoraal moeten opstellen tegenover de klimaatverandering. Nu houdt het ministerie van Verkeer en Waterstaat zich bezig met zaken als kustverdediging en rivierafvoer, het ministerie van LNV met de gevolgen voor landbouw en natuur, het ministerie van VROM onderhandelt over klimaatverdragen én is verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening, terwijl het ministerie van Economische Zaken verantwoordelijk is voor het energiebeleid.
Kabat is dan ook erg te spreken over het feit dat de vier ministeries nu gezamenlijk het nieuwe onderzoeksprogramma ARK dragen. De ministeries dragen tien procent van hun budget voor klimaatonderzoek af aan het gezamenlijke onderzoek. Het nieuw in te stellen Maatschappelijk Topinstituut voor Klimaat en Ruimte zal hierin een coördinerende rol spelen. Onderzoeksvragen worden door het topinstituut vertaald in afzonderlijke wetenschappelijke projecten die vervolgens worden uitgezet bij de bestaande wetenschappelijke instituten, waaronder Wageningen UR.

Gidsland
Het topinstituut krijgt dus geen eigen gebouw, maar wordt ingezet om de reeds bestaande samenwerking tussen wetenschappers onderling en met de beleidsmakers te verbeteren. Dat is nodig, denkt Kabat, want nu klagen veel beleidsmakers dat ze door de complexiteit van de materie en de enorme hoeveelheid kennis nauwelijks tijd hebben om vijf tot tien procent van alle kennis te behappen. Met het topinstituut en het nieuwe onderzoeksprogramma moet de kennisinfrastructuur dus verbeteren.
Kabat hoopt dat Nederland dankzij de inzet op integraal onderzoek en beleid en door de verbeterde kennisinfrastructuur rondom de gevolgen van de klimaatverandering een gidsland wordt voor de rest van de wereld. Wat al geldt voor waterbeheer, zou ook moeten gaan gelden voor omgaan met klimaatverandering. 'Persoonlijk denk ik dat dit dé kans is voor Nederland. Zeventig procent van de wereldeconomie is geconcentreerd in delta's.'

Martin Woestenburg

Re:ageer