Wetenschap - 1 januari 1970

Klimaat moet integrerend principe worden voor ruimtelijke inrichting

Hete, droge zomers, zoals die van 2003, zullen in de toekomst vaker voorkomen als in het verleden. Zulke extremen roepen dringende vragen op over de toekomstige inrichting van Nederland. Welke vormen van landbouw zijn mogelijk, welke natuur kan er groeien, waar kunnen we veilig huizen bouwen? Een onderzoeksconsortium gaat nu in een megaproject, onder leiding van Wageningen UR, onderzoeken hoe wetenschap, ngo's, overheid en bedrijfsleven kunnen inspelen op die vragen van de toekomst. Het programma kreeg onlangs veertig miljoen aan subsidie.

Wageningen UR is penvoerder van het grote project 'Klimaat voor ruimte - ruimte voor klimaat'. Doel van het project is om het klimaat, net als water, te maken tot een ordenend principe bij de toekomstige inrichting van Nederland en Europa. ,,Klimaat moet het integrerende onderwerp worden'', stelt de wetenschappelijk directeur van het programma, hydroloog prof. Pavel Kabat van Alterra. ,,Als je iets doet in het landelijk gebied en je bent met de toekomst bezig, dan steek je je kop in het zand als je alleen maar met demografische gegevens rekening houdt'', vult dr Jan Verhagen van Plant Research International aan, die net als Kabat in het bestuur zit van het Climate Change and Biosphere Research Centre (CCB), waarin alle Wageningse klimaatonderzoekers zich hebben verenigd. Het CCB is de drijvende kracht geweest achter het onderzoeksproject, vertelt Kabat, vooral bij het zoeken naar integrale expertise.

Rode Kruis
Kabat spreekt van een paradigmaverandering. Hoewel in de laatste tien jaar vooral via extreme weerssituaties duidelijk is geworden dat klimaat direct invloed heeft op landgebruik - kijk maar naar wonen naast de steeds zwellende rivieren, de effecten van droogte op landbouw, de gevolgen van de warmere temperaturen voor planten en dieren - zijn de maatregelen die worden genomen nog steeds sterk sectoraal van aard. Niet alleen tussen de verschillende ministeries, maar ook tussen lagere overheden als provincies, gemeentes en waterschappen, en ook tussen kennisinstellingen, en zelfs binnen een kennisinstelling als Wageningen UR, is de aandacht voor oplossingen voor de klimaatveranderingen vaak sterk gericht op dat wat binnen de eigen mogelijkheden en expertise ligt. Dat moet veranderen, vinden Kabat en de zijnen.
Het project is dan ook breed ingestoken. In het kennisproject werken 77 partners uit wetenschap, overheid en bedrijfsleven samen aan 55 onderzoeksprojecten. De belangrijkste partners van Wageningen UR zijn het KNMI, het milieu-instituut RIVM, het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit (VU), het International Centre for Integrative Studies van de Universiteit Maastricht, het energie-onderzoekcentrum ECN en het Copernicus Instituut van de Universiteit Utrecht. Daarnaast nemen ook overheidsinstanties als waterschappen, ngo's als het Wereldnatuurfonds en het Rode Kruis, en bedrijven als banken en verzekeraars deel aan het programma.
Het programma is een van de grootste in het kader van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik), geld uit de aardgasbaten dat voorheen ICES/KIS heette. Er is de komende zes jaar tachtig miljoen euro beschikbaar, veertig miljoen van Bsik en veertig miljoen vanuit de deelnemers.

Rioleringsbeheerders
Het programma 'Klimaat voor ruimte - ruimte voor klimaat' is opgedeeld in vier onderdelen. Prof. Gerbrand Komen van het KNMI coördineert onderzoek naar klimaatscenario's. De huidige scenario's die het KNMI maakt, voldoen vaak niet aan de praktische wensen van gebruikers als verzekeraars, waterschappen en rioleringsbeheerders. ,,De klimaatscenario's hebben vaak een te lage resolutie'', legt ir Jeroen Veraart, secretaris van het CCB uit. ,,Nederland is één stipje, bij wijze van spreken.'' De bedoeling is nu dat de scenario's in samenspraak met de gebruikers worden ingevuld, van de aannames bij het begin tot de uitwerking.
Een vergelijkbare samenwerking komt er bij het onderzoek naar de oorzaak van de klimaatveranderingen, de uitstoot van broeikasgassen, onder leiding van Kabat en dr Ronald Hutjes van het CCB. Centraal staat de vraag hoe Nederland en Europa emissiearm kan worden ingericht of heringericht, maar ook zaken als het vastleggen van broeikasgassen door de landbouw en het ruimtegebruik van bijvoorbeeld windenergie komen hier aan bod.
Ook het onderzoek naar de manier waarop we met de klimaatveranderingen omgaan, dat wordt gecoördineerd door prof. Pier Vellinga van de VU, zal sterk gericht zijn op de praktische gevolgen van de klimaatverandering. ,,Het kan zomaar zijn dat we over twintig jaar zeggen dat het behouden van de grutto meer waard is dan het regelmatig overstromen van twintig huizen'', illustreert Kabat een mogelijk toekomstig dilemma. Dr Bert Metz van het RIVM en de Wageningse milieueconoom prof. Ekko van Ierland gaan het integratieve onderdeel van het project leiden, met veel aandacht voor integratie van ruimtelijke planvorming en institutionele verandering.

Cultuuromslag
Dat het klimaat het integrerend onderwerp is, blijkt volgens Kabat uit het feit dat de gegevens van alle vier de onderdelen in elk van die deelgebieden worden hergebruikt. Volgens Kabat kun je de klimaatscenario's niet los zien van de oplossingen die men zoekt voor de oorzaken van de klimaatveranderingen, niet van de oplossingen die men zoekt voor de gevolgen van de klimaatverandering, en niet van de institutionele veranderingen die nodig zullen zijn om oorzaak en gevolg in de toekomst tegemoet te treden, zowel op het niveau van de rijksoverheid, de waterschappen, de gemeentes of de wetenschap. Daarvoor zal een cultuuromslag nodig zijn, ook binnen Wageningen UR. ,,Want er zijn ook binnen Wageningen UR een heleboel tegenstellingen met betrekking tot wat men wil en wat men kan'', aldus Kabat.

Martin Woestenburg

Re:ageer