Wetenschap - 30 januari 2014

Kindsoldaten en kogelmuziek

tekst:
Roelof Kleis

Kindsoldaten begaan achteloos de meest onvoorstelbare gruwelijkheden. Waarom? Hoe krijgen rebellengroepen dat voor elkaar? En wat kunnen wij daarvan leren om van kindsoldaten weer normaal functionerende burgers te maken? Lotte Vermeij interviewde op zoek naar antwoorden honderden voormalige Afrikaanse kindsoldaten.

Kindsoldaten. Iedereen heeft er wel een beeld bij. Pubers met Kalasjnikovs. Jongens zoals die op de cover van het proefschrift waarop Lotte Vermeij vorige week promoveerde bij de leerstoelgroep Rampenstudies. Maar het verschijnsel is niet typisch Afrikaans. Kindsoldaten komen wereldwijd voor. De wereld telt naar ruwe schatting een kwart miljoen kindsoldaten en dat zijn zeker niet alleen jongens. Volgens Vermeij is veertig procent van de kindsoldaten in de groepen die zij onderzocht meisje. Vermeij deed vier jaar onderzoek naar kindsoldaten in Sierra Leone, Liberia, Oeganda en Mozambique. Het resultaat is een indringend proefschrift, waarin ze blootlegt hoe onschuldige en vaak ontvoerde kinderen veranderen in meedogenloze en loyale moordenaars.

‘The bullets sound like music to my ears’, heet het proefschrift. Waarom deze titel?
‘Het is een citaat van een van de jongens waarmee ik heb gesproken. Hij ging dat geluid zo ervaren. Het is een citaat dat heel vaak terugkwam in de interviews. Het geluid van vuurgevechten en oorlog is iets waar die kinderen heel erg aan gewend raken. Het wordt comfortabel, iets waarbij ze zich thuis voelen.’

Jouw onderzoek richt zich met name op de socialisatie van kindsoldaten: de processen die maken dat kinderen zich de cultuur van de groep eigen gaan maken en trouw, loyaal en volgzaam worden aan de groep. Hoe maak je een kindsoldaat?

‘Een van de belangrijkste stappen in die transformatie is het recruteringsproces. Kinderen die ontvoerd worden, worden vaak direct al gedwongen om hun ouders te vermoorden of dorpsgenoten of vrienden iets aan te doen. Anders worden ze zelf vermoord. Dat is een belangrijke stap, omdat ze daardoor de brug met hun gemeenschap verbranden. Ze kunnen niet meer terug, zijn helemaal alleen en hebben niemand meer om op terug te vallen. Ze worden vervolgens meegenomen naar een onbekend gebied. Daar zit je dan. Je bent 10, 12 of 14, totaal gedesorienteerd en zonder enig referentiekader met je oude leven. De rebellengroep wordt je nieuwe houvast, je nieuwe familie. Daarna gaan een heleboel processen spelen. Geweld is daarbij een belangrijk aspect. Er wordt veel geweld gebruikt, zodat de kinderen daaraan wennen en het uiteindelijk ook zelf gaan gebruiken. Geweld als de normaalste zaak van de wereld. Daarnaast heb je de ceremonies waarmee ze onderdeel worden van de groep. Ze krijgen een nieuwe naam. De groep wordt de nieuwe familie.’


kindsoldaat.jpg

Je legt sterk de nadruk op de verandering van identiteit van kindsoldaten. Hoe gaat dat in zijn werk?
‘De meerderheid van de kinderen wordt onder dwang gerekruteerd. Maar dan hoor je nog niet direct tot de groep. De identiteit verandert door dat hele socialisatieproces, door die verschillende rituelen, door de regels die er zijn. De kinderen gaan zich daardoor vereenzelvigen met de groep en niet meer met thuis. Het is vaak verboden om over thuis te praten. Dat wordt zwaar bestraft. Socialisatie gaat gepaard met heel veel dwang en geweld. Bij kleine kinderen gaat dat snel. Die hebben nog niet echt een identiteit en zijn nog niet zo zelfbewust. De ideale leeftijd is twaalf tot veertien jaar. Dan zijn kinderen fysiek sterk genoeg om te vechten en emotioneel nog makkelijk te kneden. Trainingen vormen een belangrijk onderdeel. Als je goed je best doet, krijg je een rang. Dat soort waardering en het krijgen van macht, status en aanzien zijn heel belangrijk voor de motivatie om te blijven.’

Zit daar een doordachte strategie achter?
‘Er wordt vaak gedacht dat rebellengroepen loshangende verbanden zijn. Een stelletje bandieten op rooftocht. Maar ze zijn juist heel georganiseerd en onderling vertonen ze veel overeenkomsten. Het lijkt soms wel alsof ze met elkaar praten om af te stemmen hoe je te werk moet gaan. Hoe je iemand zo efficiënt mogelijk deel kunt laten maken van jouw groep. De figuren die aan het hoofd van dit soort groeperingen staan, zijn geen domme mensen.’


Lotte.jpg

Lotte Vermeij (30) promoveerde op maandag 20 januari bij Thea Hilhorst (hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw) op een onderzoek naar de socialisatie van kindsoldaten in Afrikaanse rebellengroepen. Zij interviewde daartoe 260 kindsoldaten en voormalig kindsoldaten van het LRA (Lord’s Resistance Army) in Oeganda, Renamo in Mozambique, het Liberiaanse LURD (Liberians United for Reconciliation and Democracy) en het RUF (Revolutionary United Front) in Sierra Leone. Met velen van hen vonden vervolggesprekken plaats. Lotte Vermeij woont in Noorwegen en werkt bij het Norwegian Institute of International Affairs (Nupi).



Waarom gebruiken die groeperingen eigenlijk kinderen?
‘Rebellengroepen hebben vaak niet de financiële middelen om leden te betalen voor wat ze doen. Een volwassene gaat dan klagen en haakt af. Kinderen hebben dat soort eisen vaak nog niet. Kinderen zijn veel makkelijker te sturen dan volwassenen. Ze zijn een stuk makkelijker te motiveren, te bespelen en te hersenspoelen. Bovendien hebben kindsoldaten veel minder angst als je ze naar het front stuurt. Een volwassene kent de gevaren en weet wat er fout kan gaan. Kinderen kun je dus makkelijker gevaarlijke dingen laten doen. Het is heel akelig om te zeggen, maar voor dit soort groeperingen is de inzet van kindsoldaten een goede strategie.’

Kindsoldaten worden gehersenspoeld en opnieuw geprogrammeerd. Zijn het daardoor slachtoffers of daders?
‘Op die vraag is geen eenduidig antwoord. Kinderen worden ontvoerd en moeten onder dwang hun ouders vermoorden. Dat is het begin van een proces dat er uiteindelijk toe leidt dat ze zelf initiatief nemen om te gaan moorden. Is zo’n kind dan een dader? Dat is een heel lastige vraag. Aan de andere kant kun je iemand die tientallen, honderden mensen heeft vermoord ook niet als een normaal slachtoffer zien. Je hebt ook met zijn of haar slachtoffers te maken. Persoonlijk vind ik dat je niet kunt zeggen of het ’t een of het ander is.’

Je uit stevige kritiek op de huidige programma’s die exkindsoldaten helpen re-integreren in de samenleving. Wat moet er anders?
‘De programma’s zijn te kort. In een paar weken of maanden kun je niet iemand terug brengen die heel anders is gaan denken, die in een heel andere wereld leeft. Een van de meiden die ik sprak werd na een paar weken rehabilitatie naar huis gestuurd. Het programma was afgelopen. Ze ging weer bij haar ouders wonen. Maar daar wilde ze eigenlijk helemaal niet zijn. Ze wilde terug de bush in. Er waren veel ruzies. Tijdens zo’n ruzie met haar vader, die dronken onder een boom zit, pakt ze een machete en hakt zijn hoofd eraf. Veel commotie natuurlijk, maar zij snapte niet waarom. Dit was hoe zij gewend was om dingen op te lossen. Kindsoldaten moeten hun rebel-identiteit afschudden en een nieuwe identiteit aanleren. Ook de samenleving moet daarbij betrokken worden. Er is over en weer veel angst. De relatie met de samenleving is heel erg uit balans. Beiden moeten weer naar elkaar toegroeien en elkaar leren vertrouwen. Maar in de huidige programma’s is daar geen ruimte voor en wordt kindsoldaten als een geïsoleerde groep hulp geboden. Het is heel belangrijk om een meer geïntegreerde benadering te kiezen, zodat ze beiden leren weer met elkaar te leven.’

Als hier de hel losbarst zoals daar, denk ik niet dat wij veel anders zouden doen. Om te overleven gaan mensen heel ver

Jij hebt honderden mensen geïnterviewd die de meest gruwelijke misdaden hebben begaan. Ben jij daardoor veranderd?
‘De eerste keer vond ik het heel lastig om de balans te vinden in hoeverre je je die verhalen aantrekt. Als je teveel meegaat in je eigen empathie is dat niet vol te houden. Ik heb gelukkig een manier gevonden om daar afstand van te houden, maar ook weer niet helemaal. Het is een dun koord waar je op balanceert. Ik ben optimistisch en geloof graag in het goede van mensen. Ieder mens heeft iets goeds, ook al heeft-ie nog zulke gruwelijke dingen op zijn geweten. Ik geloof daarnaast ook heel sterk dat iedereen dit soort dingen kan doen. Als hier de hel losbarst zoals daar, denk ik niet dat wij veel anders zouden doen. Om te overleven gaan mensen heel ver. Die conflicten in Afrika zijn voor ons een ver-van-mijn-bed show. Wij kunnen niet oordelen. Wij hebben een heel geprivilegieerd leven. Er is altijd een vangnet, iemand die voor je opkomt. Dat realiseer ik me heel erg.’


Re:ageer