Wetenschap - 1 januari 1970

‘Kenniskloof geen probleem’

‘Je hoort tegenwoordig zo vaak dat universiteiten aan innovatie moeten gaan doen’, zegt prof. Emmo Meijer, directeur onderzoek en ontwikkeling bij chemiereus DSM. ‘Maar dat vind ik eerlijk gezegd flauwekul. Bedrijven moeten goed zijn in innovatie, en universiteiten moeten goed zijn in de wetenschap. Als bedrijven hun innovatie willen uitbesteden aan universiteiten, dan zijn ze niet verstandig bezig.’

Agrotechnology & Food Innovations hield vrijdag 9 oktober een open dag. / foto GA

Meijer, tevens deeltijdhoogleraar chemie in Eindhoven, is gastspreker op het symposium dat Agrotechnology & Food Innovations (A&F) op vrijdag 9 oktober organiseerde. Meijer staat stil bij de zo vaak besproken kloof tussen het fundamentele onderzoek en de toegepaste wetenschap in de bedrijven. Het bestaan van die kloof ontkent de bestuurder niet, maar meehuilen met de wolven doet Meijer niet. ‘In de wetenschap vinden we van alles uit, maar de bedrijven kunnen die vooruitgang niet vertalen in innovatie’, omschrijft Meijer. ‘Die kloof is niet typisch iets van Nederland, kan ik u verzekeren’, zegt Meijer. ‘In het buitenland vind je die net zo goed. Daar hoor je precies dezelfde geluiden.’
Meijer steekt nadrukkelijk geen beschuldigende vinger naar de wetenschap uit. ‘Een onderzoeker in een universiteitslab denkt anders dan een onderzoeker in een industrieel laboratorium’, zegt hij. ‘Laten we dat alsjeblieft zo houden. Die verschillen maken de samenwerking tussen industrie en wetenschap juist de moeite waard.’

Onvoorspelbaar
Het belangrijkste verschil tussen die twee soorten onderzoekers is de tijdsdimensie. Onderzoekers in de industrie kijken vijf jaar vooruit, niet verder. ‘Dat is onverantwoord’, zegt Meijer. ‘Daarvoor zijn de ontwikkelingen in de wetenschap te snel en vooral te onvoorspelbaar. Voor bedrijven is het niet te zeggen wat er over vijf jaar zal spelen. Voor industriële research toch doelen op zo’n termijn stellen, is gevaarlijk. Meestal leidt dat onderzoek tot niets.’
Om toch een link met de zuivere wetenschappen te houden zijn bedrijven wel gedwongen om met universiteiten samen te werken, vindt Meijer. Die noodzaak is zelfs groter geworden, want de bedrijven zelf doen de laatste jaren steeds minder research op het gebied van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, en steeds meer op running business – de bestaande processen en producten. Voor de innovatie leunen de bedrijven steeds zwaarder op jonge ondernemingen die worden opgekocht, en op projecten met wetenschappers in instituten en universiteiten.
‘Een universitaire onderzoeker denkt anders dan een industriële onderzoeker. Laten we dat alsjeblieft zo houden’ De eerste generatie van die projecten leverde het bedrijfsleven weinig op, zegt Meijer, die de innovatiegerichte programma’s (IOP’s) van het ministerie van Economische Zaken als voorbeeld geeft. ‘Het probleem van de IOP’s was dat de inzet ontbrak’, verzucht Meijer. ‘We deden het er maar een beetje bij. Het resultaat was fraai wetenschappelijk onderzoek dat meestal niet tot innovatie leidde. We hebben daarvan geleerd, en in de samenwerkingsprojecten die we nu aangaan, zetten we onze beste mensen in.’ Daarom verwachtte Meijer betere resultaten van de lopende projecten binnen de technologische topinstituten als het in Wageningen niet onbekende WCFS, het Kluyvercentrum en het Dutch Polymer Institute.

Kennismakelaar
Meijer had een goed verhaal, vonden de meeste aanwezigen. Hier stond een bestuurder van een groot bedrijf die de kenniskloof kon dichten. Maar wat voor een gigant als DSM geldt, geldt dat ook voor het midden- en kleinbedrijf? Na het symposium, in het oude ATO-gebouw, beantwoordt ing. Geert Hermans van PPO die vraag ontkennend.
Hermans’ kaartje noemt hem senior project consultant, maar tegenover de senior science writer van Wb wil Hermans wel kwijt dat hij eigenlijk een ‘kennismakelaar’ is. Hij zoekt in het doolhof van Wageningen UR naar oplossingen voor de problemen waarvoor bedrijven bij hem aankloppen. ‘Het MKB heeft geen flauw idee wat er binnen Wageningen UR speelt of waar ze moeten zijn. Dat ligt niet aan hen, want er is niemand die nog een overzicht heeft. Ik ga bellen en zoeken naar de juiste mensen.’
Een tweede probleem is dat de cliënten uit het MKB van Hermans meestal geen tienduizenden kunnen besteden. ‘Ze kunnen zich geen dure ontwikkelingskosten veroorloven. Ze hebben niet alleen behoefte aan praktische innovaties, maar ook aan toepassingen die ‘klaar’ zijn en ‘af’.’

Frietchip
In de gebouwen van A&F kunnen de vierhonderd bezoekers ook de stands bezoeken waar de onderzoekers hun zojuist voltooide en lopende projecten presenteren. Eén daarvan is de frietchip waar dr Herman Peppelenbos aan werkt: een test die uit het erfelijk materiaal van een aardappel afleidt of friet van de aardappel er bruin uitziet. ‘Hoe meer suikers er in aardappels zitten, des te bruiner worden de frites die je ervan bakt’, zegt Peppelenbos. ‘Tijdens de opslag zet de aardappel zetmeel om in suikers. De chip moet de activiteit van de genen regelen die de omzetting regelen.’
A&F heeft al eerder soortgelijke chips gemaakt. Peppelenbos toont een prototype van een stick die houthakkers vertelt of een boom rijp is om omgehakt te worden.
De frietchip ontstaat in samenwerking met het Center for BioSystems and Genomics. De genomicstechnologie die het Center en A&F ontwikkelen zou kunnen uitmonden in een nog geavanceerder apparaat: eentje dat niet vertelt hoe de aardappel er nu voor staat, maar zijn eigenschappen voorspelt. De kosten van de nieuwe technologie zullen in de tonnen lopen. Bedragen die de MKB-cliënten van Geert Hermans niet kunnen ophoesten, maar die grote spelers in de voedingsindustrie waarschijnlijk snel terugverdienen, schat Peppelenbos. ‘In sommige productieprocessen gaat veertig procent van de verse materialen verloren omdat ze bedorven zijn. Dat moet je niet vergeten.’

Willem Koert

Re:ageer