Wetenschap - 1 januari 1970

‘Kenniseenheden zijn slangenkuil van Wageningen’

Toen Eltjo van Marum in 1979 begon bij proefbedrijf Bosma Zathe in Friesland was hij ‘een veredelde boer’ die ook wat excursies leidde. Na de toetreding van Praktijkonderzoek tot Wageningen UR was hij vooral druk met het binnenhalen van onderzoeksprojecten. Nu gaat hij met vervroegd pensioen. En niet helemaal met een gerust hart. ‘Ik zie kenniseenheden elkaar beconcurreren en dat is van de zotte.’

Bedrijfsleider Eltjo Van Marum van proefbedrijf Nij Bosma Zathe gaat met vervroegd pensioen. / foto Guy Ackermans

Bedrijfsleider Eltjo Van Marum vertrekt na een turbulent jaar voor de proefbedrijven van de Animal Sciences Group. In juni vorig jaar kondigde de toenmalige interim-directeur prof. Pim Brascamp aan dat een deel van de proefbedrijven om financiële redenen moest sluiten. Nij Bosma Zathe bleef gespaard.
‘De afgelopen drie jaar hebben we gemiddeld quitte gedraaid. Dat komt mede door regionale projecten die door Europa worden gefinancierd. Wij moeten het voor onderzoeksopdrachten ook niet hebben van het hoofdkantoor van Praktijkonderzoek Veehouderij in Lelystad. Dat heeft Brascamp goed gezien. Hij was één van de weinige mensen die vanuit Wageningen en de praktijk wist hoe de hazen liepen. Als ik in het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN) laat weten leuk onderzoek in gedachte te hebben en zeg dat het in Lelystad zal plaats vinden, zeggen ze: zoek maar een andere financier. Praktijkonderzoek bestaat niet als je geen regionale locatie bent.’

Weg omhoog
Van Marum kwam in 1979 als bedrijfsleider op proefbedrijf Bosma Zathe in Ureterp, bij Drachten, de voorloper van het huidige proefbedrijf Nij Bosma Zathe in Goutum, bij Leeuwarden. ‘Ik begon vijfentwintig jaar geleden in de tijd van de weg omhoog: meer gras per hectare, meer koeien per bedrijf, meer koeien de man, meer gebruik van stikstof. De omslag kwam begin jaren negentig, toen we ons gingen bemoeien met hoe het ook met minder kon. En over tien jaar is alles weer heel anders. Misschien zijn er dan bedrijven met duizend koeien. Maar ook andere wegen leiden naar Rome’, weet Van Marum.
Ook de organisatie van het proefbedrijf veranderde. ‘Vroeger werden boeren eens per jaar in de landbouwbladen opgeroepen om suggesties te doen voor onderzoek en om knelpunten aan te dragen. Als we te weinig suggesties kregen deden we ze zelf, rekening houdend met knelpunten in de sector.’ Tekorten bij proefbedrijven werden simpelweg voor de helft door het ministerie en voor de andere helft het landbouwbedrijfsleven gefinancierd. ‘In Friesland en Groningen droegen de provincies hier overigens een kwart aan bij. Kom daar in Brabant eens om.’
Hoewel de financiering tegenwoordig voornamelijk op projectbasis gaat, is in Noord-Nederland de provincie nog steeds een belangrijke geldschieter. ‘Het gros van de melkveehouderij zit in Friesland, Groningen en Drenthe. Hier is de ruimte en de regionale overheid handelt er naar om een goede melkveehouderij in stand te houden.’

Financiers zoeken
Het werk van de bedrijfsleider is in de jaren ook duidelijk anders geworden. ‘In 1979 was ik een veredelde boer met wat andere taken als excursies leiden en vergaderen. Nu moet je veel actiever zijn. Toen in 1996, als gevolg van een nota van Bram Peper, het Praktijkonderzoek samenging met DLO en de toenmalige Landbouwuniversteit, kwam er een einde aan de centrale financiering vanuit het ministerie. We moesten zelf financiers gaan zoeken voor ons onderzoek. Ik mag dan sinds 1 november regiomanager zijn in Noord-Nederland voor projecten voor Wageningen, eigenlijk was ik al een paar jaar zo bezig. Je bent veel onderweg naar SNN, de provincie, waterschappen en andere regionale partijen. Waar is onze expertise gewild en wie vraagt erom? Je moet je oor te luisteren leggen, de regionale pers in de gaten houden en bijvoorbeeld bijhouden wat er in de Provinciale Staten van Friesland behandeld wordt. Nu is net het Friese milieubeleidsplan geaccordeerd. Dan moet je kijken of daar werk voor ons in zit en zorgen dat je er bij bent.’

Vloeken
Ondanks de grote veranderingen is Van Marum zijn werk leuk blijven vinden. ‘Toen ik er voor stond even niet. Van het rapport Peper kon je leren vloeken. Het was gewoon een bezuinigingsoperatie en het was maar de vraag of je het redde. De grootste omslag is gekomen toen ik 7,5 miljoen moest zien te krijgen voor de nieuwbouw van Bosma Zathe, omdat het proefbedrijf zwaar verouderd was.’
Van Marum is vanaf 1994 zes jaar bezig geweest de verhuizing van Ureterp naar Goutum rond te krijgen. ‘Het was een goed plan omdat we in het hart van het veehouderijgebied zouden komen. Bij het eerste overleg met het ministerie voelde ik me echter heel klein worden. Maar iemand zei me: je moet dingen zodanig in de week leggen dat ze gaan denken dat ze het zelf bedacht hebben. En doorgaan, want onder druk wordt alles vloeibaar. Ik ben dan ook apetrots op Nij Bosma Zathe.’

Slangenkuil
De toetreding tot Wageningen UR na het rapport Peper vindt Van Marum nog altijd geen succes. ‘Het had moeten leiden tot synergie. Maar ik zie kenniseenheden elkaar beconcurreren en dat is van de zotte. Alterra zoekt bijvoorbeeld zelf contact met melkveehouders als het om weidevogelbeheer gaat, buiten de ASG om, terwijl wij de schakel naar melkveehouders zijn. Kenniseenheden zijn de slangenkuil van Wageningen. Ze denken alleen aan de eigen omzet en onderzoekers willen zichzelf niet overbodig maken. De raad van bestuur zou zich opnieuw moeten afvragen of de indeling in kenniseenheden wel profijtelijk is. De totale omvang van Wageningen UR is de oorzaak van trage procedures. Het centralistisch denken bevordert de slagvaardigheid niet.’
Toch ziet Van Marum de toekomst van het proefbedrijf zonnig in. ‘Er zal altijd vraag blijven naar onderzoek. Mensen zijn nieuwsgierig en zonder onderzoek is er geen ontwikkeling.’ Het proefbedrijf moet nauw contact houden met veehouders en opdrachtgevers. ‘Veehouders zien zichzelf niet als opdrachtgever, ook al betalen ze via het productschap veel van het onderzoek. Dat zouden we misschien doorzichtiger moeten maken’, besluit Van Marum.

Yvonne de Hilster

Re:ageer