Organisatie - 17 april 2008

Kennis verspreiden of geld verdienen?

Kennis van Wageningen UR moet ingezet kunnen worden om honger in het Zuiden te bestrijden. Maar anderzijds ontkomt Wageningen UR er niet aan mee te doen aan het systeem van intellectueel eigendom, ook al kunnen octrooien de toegang van het Zuiden tot Wageningse technologie beperken. In een symposium werd vorige week gezocht naar een oplossing.

Bezoekers aan het symposium over intellectueel eigendom en biotechnologie.
In de missie van Wageningen UR staat dat de kennis van de onderzoekers een bijdrage moet leveren aan voldoende voeding, ook in ontwikkelingslanden. Maar een deel van de kennis die Wageningen UR produceert wordt beschermd door octrooien. En die octrooien beperken het gebruik van kennis en technologie tot degenen die een licentie kunnen betalen. Veel onderzoeksinstellingen in ontwikkelingslanden krijgen maar moeilijk toegang tot kennis of technologie die elders ontwikkeld is, deels omdat het intellectueel eigendom van die technologie steeds beter beschermd wordt. Enerzijds wil Wageningen UR bijdragen aan armoedebestrijding, anderzijds wil Wageningen UR ook geld verdienen aan octrooien en onderzoek doen in samenwerking met het bedrijfsleven.
Op vrijdag 11 april werd in het WICC in Wageningen een symposium gehouden voor experts uit alle windstreken op het gebied van intellectueel eigendom en biotechnologie. Daar werd besproken welke mogelijke oplossingen er zijn voor dit lastige dilemma. Aanleiding voor het symposium was het bezoek van twee Wageningse promovendi aan het internationale aardappelonderzoeksinstituut CIP in Peru vorig jaar. Zij kregen daar de klacht dat het instituut de Wageningse kennis en technologie niet kan gebruiken omdat die met octrooien beschermd is. ‘Dat is een algemeen probleem en geldt niet alleen voor het CIP, maar voor alle CGIAR-instellingen. En het geldt ook niet alleen voor Wageningen UR, maar voor alle private en publieke kennisinstellingen’, haast dr. Marc Ghislain van het CIP zich te zeggen. Hij was afgelopen vrijdag uitgenodigd om op het symposium uit te leggen waar de schoen wringt.
Het CIP doet, net als de andere CGIAR-instellingen, agrarisch onderzoek waar de armen in ontwikkelingslanden van moeten profiteren. De resultaten van dat onderzoek moeten dus gratis of goedkoop beschikbaar zijn. Volgens Ghislain kan het CIP dat bijna niet meer doen, omdat het aardappelinstituut haast geen gebruik meer kan maken van biotechnologie van andere instellingen omdat die steeds vaker beschermd is. Door de toename van het aantal octrooien vereist alleen al het in kaart brengen van de benodigde licenties een juridisch specialist, nog los van de vraag of de licenties te betalen zijn. En niet alleen bij bedrijven, ook bij publieke onderzoeksinstellingen worden steeds meer octrooien gevestigd. Daar moet wat aan veranderen, wil de arme boer in ontwikkelingslanden kunnen meeprofiteren van wetenschappelijke kennis, was de boodschap van Ghislain.
Diezelfde boodschap bracht minister Bert Koenders eind februari ook al, toen hij Nederlandse universiteiten opriep om ‘beleid op het gebied van intellectueel eigendom op te stellen dat niet alleen kennis tot waarde brengt, maar ook kennis beschikbaar stelt voor ontwikkelingsdoelen’.

Academische ethiek
Eeuwenlang was wetenschappelijke kennis vrijelijk toegankelijk en weerhield de academische ethiek de onderzoeker ervan om exclusief eigendom te claimen op kennis of het product van kennis, betoogde filosoof dr. Henk van den Belt op het symposium. Maar de laatste decennia is dat veranderd. Aan de ondernemende universiteit is die academische ethiek geërodeerd, zegt hij. Werd de onderzoeker in de open academie gedreven door reputatie, nu zijn het octrooien die de wetenschapper status geven, vreest Van den Belt.
Publieke instellingen als Wageningen Universiteit moeten net als het privaatrechtelijke DLO meegaan in de trend naar meer intellectueel eigendom, zei dr. Niels Louwaars van Wageningen International en één van de organisatoren van het symposium. Louwaars vindt dat Wageningen UR daarbinnen wel moet zoeken naar manieren om kennis en technologie beschikbaar te stellen voor de armen en de vrijheid van onderzoeksinstellingen in het zuiden niet moet beperken. Maar aan octrooien valt niet te ontkomen, denkt hij. Want hightech wetenschappelijk onderzoek is zo duur geworden dat het met publiek geld alleen niet meer te betalen is. Voor Wageningen UR zijn bijvoorbeeld de vaccins die de Animal Science Group ontwikkelt financieel van belang. Maar octrooien zijn ook van strategisch belang. Ze vormen het wisselgeld in onderhandelingen tussen publieke instellingen en bedrijven over nieuwe publiek-private onderzoeksprojecten. Ook publieke financiers vragen in dergelijke publiek-private partnerschappen om octrooien.
Een voorbeeld van zo’n publiek-private onderneming is het Wageningse Centre for BioSystem Genomics (CBSG), met voor de komende vijf jaar een financiering van 50 miljoen euro. Met die 50 miljoen kreeg het CBSG voor de komende vijf jaar een target mee van 25 octrooien, 20 licenties en twee spin-offs, bedrijven die met door CBSG ontwikkelde technologie een product op de markt gaan brengen.
Maar het CBSG heeft ook een alternatief voor intellectueel eigendom onder haar vleugels, namelijk twee projecten waarin onderzoek gedaan wordt waarvan de resultaten in het publieke domein terechtkomen. Al zijn dat maar kleine projecten vergeleken met het geheel. Een omvangrijker voorbeeld van vrij toegankelijke biotechnologie is CAMBIA. Dat is een wereldwijd biotechnologisch netwerk met hoofdkantoor in Australië, dat wel octrooien aanvraagt maar haar technologie vrijelijk laat gebruiken onder een ‘biologische open source licentie’. Wie de technologie gebruikt, moet zijn eigen resultaten ook vrij toegankelijk maken, een systeem vergelijkbaar met open source software.

Humanitaire licenties
Ghislain van het CIP verwacht echter niet veel van open source biotechnologie. ‘Het is te revolutionair, en kan alleen bij helemaal nieuwe technologie werken. Ik verwacht meer van humanitaire licenties.’ Dat zijn afspraken in contracten tussen verschillende instellingen, meestal in consortia, waarin opgenomen is dat vrij gebruik gemaakt mag worden van de technologie als het ten behoeve van armen in het Zuiden is. Ook Wageningen UR heeft dat in enkele contracten opgenomen.
Maar ook dergelijke afspraken worden steeds minder makkelijk gemaakt, zegt Ghislain. Eind jaren tachtig kreeg het CIP nog vrij makkelijk toestemming van een biotechbedrijf om technologie te gebruiken waarmee een tegen ongedierte resistente aardappel ontwikkeld kon worden voor ontwikkelingslanden. In 2000 was dat al lastiger. Toen wilde het CIP een aardappel in India op de markt brengen die eerder veredeld was met gebruik van technologie van een bedrijf. Omdat het bedrijf inmiddels dacht ook in India aan de technologie te kunnen verdienen, mocht het CIP de aardappel daar niet meer gratis verspreiden.
En de laatste jaren speelt nog een factor mee, vertelt Ghislain. Veel landen tekenden het Cartagenaprotocol, een internationaal verdrag over biosafety waarin staat dat de ontwikkelaar van gengewassen verantwoordelijk is voor schade bij de toepassing. Bedrijven zijn bang om aansprakelijk gesteld te worden als er gengewassen opduiken die gemaakt zijn met technologie die met een gratis licentie is gegeven aan onderzoeksinstellingen in ontwikkelingslanden.

PhD-studenten
Tegen het eind van het symposium mocht rector prof Martin Kropff het verlossende woord doen over hoe Wageningen UR wil omgaan met het dilemma rondom intellectueel eigendom. ‘De millenniumdoelen zijn voor ons belangrijk, ze staan in onze strategie. Technologie moet beschikbaar zijn voor ontwikkelingslanden’, aldus de rector. ‘Maar we moeten natuurlijk wel meedoen aan het systeem van intellectueel eigendom. Bescherming van intellectueel eigendom is bijvoorbeeld essentieel voor de opstart van innovatieve spin-out bedrijfjes, waar Wageningen heel actief in is. We werken op dit moment aan nieuw beleid op octrooigebied. Daarbij kijken we welk beleid we al hebben, en welke bepalingen we kunnen opnemen in toekomstige contracten van zowel de universiteit als DLO, uiteraard in overleg met de financiers en de onderzoekspartners. De uitkomsten van deze dag wil ik daar zeker in meenemen. Ik wil die ook aan mijn collega-rectoren van andere Nederlandse universiteiten voorleggen.’
Om meer kennis in het Zuiden beschikbaar te maken, is het volgens Kropff minstens zo belangrijk om ervoor te zorgen dat wetenschappelijke artikelen voor iedereen toegankelijk zijn. ‘Veel van onze artikelen worden gepubliceerd in dure tijdschriften. Dat is een grotere belemmering voor het delen van kennis dan de octrooien.’ Kropff relativeerde verder het belang van octrooien. ‘Het is maar een deel van het technologisch onderzoeksgebied waar octrooien belangrijk zijn. Het aantal octrooien dat we zelf genereren, zonder private partners, is nog beperkt. Bovendien dragen veel medewerkers van Wageningen UR bij aan de millenniumdoelen en in het overgrote deel van dat onderzoek zijn octrooien niet aan de orde. We dragen bijvoorbeeld ook veel kennis over door al onze PhD-studenten die uit het Zuiden komen.’

Re:ageer