Wetenschap - 14 juni 2007

Kans dat migrerend wild vee besmet is klein

De kans dat migrerende wilde zwijnen en edelherten ziektes overbrengen naar landbouwdieren is klein, maar voor een aantal locaties zeker niet verwaarloosbaar. Dat concluderen Alterra en CIDC-Lelystad na een inventarisatie van de risico’s van zogenaamde ‘robuuste verbindingen’.
Deze verbindingszones moeten het straks mogelijk maken voor plant- en diersoorten om te migreren tussen nu nog geïsoleerde natuurgebieden zoals de Veluwe en de Meinweg in Limburg. Tien van deze verbindingen richten zich specifiek op de migratie van edelherten. Ook wilde zwijnen zouden hier gebruik van kunnen maken.
Mooi voor de natuur, maar minder voor de landbouw, zeggen veehouders. Zij vrezen dat de dieren ziektes zoals varkenspest, mond- en klauwzeer en koeiengriep overbrengen op hun vee.
De kans dat dit gebeurt is echter klein, stellen de Wageningse onderzoekers die in opdracht van het ministerie van LNV de risico’s in kaart brachten. De gevreesde virussen komen namelijk nauwelijks voor onder wilde herten en zwijnen. Bovendien is contact tussen hen en de landbouwhuisdieren in de omgeving van de migratieroutes beperkt.
Op basis van het rapport stelt minister Verburg van LNV dat provincies vooral door moeten gaan met de realisering van de robuuste verbindingen. De onderzoekers scharen zich achter dit besluit, maar plaatsen ook enkele kanttekeningen. Want hoewel de kans op besmetting klein is, blijft overdracht mogelijk. Bij een eventuele uitbraak zijn de gevolgen groot voor regio’s met veel veehouderijen.
Daarom moeten er maatregelen worden genomen die contact tussen vee en wilde dieren verder uitsluiten. Boeren kunnen elektrische rasters als afscheiding van hun erf plaatsen en hun vee binnenhouden in de periode dat edelherten en wilde zwijnen zich massaal verplaatsen. Ook moeten de robuuste verbindingszones afsluitbaar zijn, voor het geval een ziekte uitbreekt onder de wilde dieren.

Re:ageer