Organisatie - 8 maart 2007

Kamperen tussen poema’s en beren

Een verstandige wandelaar blijft in de wouden van Alberta, Canada een beetje uit de buurt van roofdieren. Maar Bouke Batema en Bram Houben, zevendejaars studenten Bos- en natuurbeheer aan Wageningen Universiteit, gingen juist op zoek naar de kill sites van poema’s. Gewapend met peperspray en een jachtgeweer, ‘want poema’s blijven vlakbij hun prooi, en ook beren komen op het aas af’.

32_achtergrond0.jpg
‘Op onze eerste dag, in de auto onderweg naar het bos, vertelde onze begeleider over de keer dat hij in het bos aan het werk was en zijn shotgun in de auto had laten liggen. Er kwam een zwarte beer aan met zijn oren in zijn nek en zijn neus dichtbij de grond. Dan weet je dat je op moet passen. De beer liep op het hondje van de begeleider af, een puppy nog. Die had geen schijn van kans en werd doodgebeten. Onze begeleider klom gauw in een boom. De beer klom in de boom ernaast en probeerde hem eruit te hengelen. Na lang proberen taaide hij uiteindelijk af’, vertelt Bram.
‘Zo’n verhaal geeft wel meteen een idee van wat je kunt verwachten. Ik ben ook in de bossen in Scandinavië geweest. En in Bolivia heb ik in een tent in het regenwoud gezeten. Maar beren waren nieuw voor me.’
Bram en Bouke leerden snel de voorzorgsmaatregelen: altijd een bus pepperspray aan je riem en nooit je jachtgeweer vergeten. Bouke: ‘Een geweer had ik op stage in Nieuw-Zeeland al leren gebruiken bij het jagen op wilde varkens en konijnen.’ In Canada hoorden schietoefeningen gewoon bij het leven. Bram: ‘Het ging van: hier heb je een geweer en probeer het doel maar te raken. Jammer dat het hier niet kan. Het was ontzettend leuk.’

Kill sites
Voor een afstudeervak bij de leerstoelgroep Natuurbeheer en plantecologie hielpen de Wageningse studenten bij een onderzoek van een Canadese promovendus. ‘Het effect van poema’s op de herbivorenpopulatie in het gebied is onbekend. Pas als je meer weet van de populatie, van wat ze eten en de prooibeschikbaarheid kun je bedenken hoe je de poema’s moet beheren. En dat is nog moeilijk, want jagers hebben andere belangen dan toeristen’, vertelt Bram.
Om meer over de poema’s te weten te komen, vingen de onderzoekers in de winter poema’s met een verdovingsgeweer, en rustten ze uit met zenders. Bouke: ‘Op een computerkaart kan je de plekken zien waar de poema’s relatief lang zijn gebleven. Poema’s leven solitair; over een hert doen ze een paar dagen. Dus dat zijn de kill sites.’
Bijna iedere dag trokken Bram en Bouke het bos in op zoek naar deze plekken. Een enkele keer werden ze ’s ochtends door collega-onderzoekers gedropt en ’s avonds op een afgesproken plek weer opgehaald. Maar meestal zochten ze ’s ochtends de coördinaten op van enkele geregistreerde plekken, namen een kaart, GPS en kompas mee, en stapten in de auto. ‘We volgden zo lang we konden verharde wegen, haalden dan de quad uit de laadbak en gingen crossend over modderige paden verder,’ vertelt Bram. ‘We hebben ik weet niet hoe vaak vastgezeten. Modderpoeltjes zijn soms onverwacht diep omdat ze uitslijten; in Alberta heeft iedereen een quad. Meestal konden we hem er weer uittrekken, en anders bonden we de lier aan een boom.’
Als er geen paden meer waren zochten Bram en Bouke te voet dwars door het bos hun weg. ‘Het was vaak een wirwar van omgevallen bomen. We liepen op een dag gemiddeld vijftien kilometer, maar ook wel eens dertig. Je bent lang bezig als je zoveel moet klauteren. Bergop, door moerassen, met een volle rugzak. Regelmatig moesten we een rivier over. Dan trokken we onze schoenen en broeken uit, pakten een lange stok om te peilen, en waadden naar de overkant. Dat grind deed wel pijn aan mijn voeten’, vertelt Bouke.
‘En we moesten natuurlijk altijd uitkijken voor beren. In het begin verwachtte ik ze achter iedere boom. Maar het went. We zagen ze soms lang niet en dan denk je: het zal wel. Tot we weer voetsporen of een hoop verse poep tegenkwamen. Verder zagen we de hele dag prachtige landschappen, herten en bevers, en hoorden we niet veel meer dan roetsjende rode eekhoorns, vogeltjes, tikkende spechten, en onze voetstappen. Dat maakte een hoop goed.’

Detectives
Als de twee avonturiers een vermoedelijke kill site hadden gevonden, moesten ze eerst goed kijken of de killer niet ergens rondliep. ‘Poema’s blijven in de buurt van hun prooi. En ook beren komen op het aas af, dat ruiken ze van ver.’ Als alles veilig was zochten ze de prooi die poema’s verstoppen onder mos en takken, en keken wat voor beest het was. ‘Sommige waren zo te herkennen, van andere was niet meer over dan een paar botjes. Het was detectivewerk, maar we kregen er na een maand wel handigheid in. Je let op haarkleur, grootte en afslijten van de onderkaak, gewei, inhammen in schedels. Van twee op elkaar lijkende hertensoorten was het verschil een klier op de achterpoot. Verder noteerden we omgevingskenmerken van de vindplaats. Zo onderzochten we drie tot tien prooien per dag’, vertelt Bram.
Het poemaonderzoek maakt deel uit van een grotere studie naar de predators en prooidieren in het gebied. De studenten konden daardoor ook een keer mee met wolvenonderzoekers die bij hen in huis woonden. ‘Die kropen een wolvenhol in om de pubs te onderzoeken. De wolvenjongen waren sullig lief. We hebben ook poemakittens van een week of drie vastgehouden. Maar schijten en krabben dat die deden’, vertelt Bouke.
De afgelopen maanden analyseerden de vrienden in Nederland hun eigen gegevens en de data die de voorgaande winter waren verzameld. ‘De poema’s aten ’s zomers voornamelijk hoefdieren: herten, paarden en elanden. Daarnaast vingen ze wat bevers en hazen, maar we zijn ook een dode hond en wat vee tegengekomen.’ De poema’s nemen bij voorkeur jonge aanwas te grazen. Die kunnen ze beter aan. Mannetjes vangen over het algemeen iets grotere soorten. ‘Sommige poema’s specialiseren zich, zoals een vrouwtje dat alleen herten ving.’ Vrouwtjes met een nest vangen vooral meer, en geen grotere beesten. Bouke: ‘Dat is ook logisch, want een trap van een paard of eland breekt zo haar kaak en dat betekent niet alleen haar dood maar ook die van haar kittens.’

Berenbezoek
Eén keer ging het in het woeste Canadese woud bijna mis met de Wageningse studenten. Bouke: ‘We gingen even snel bij een prooi kijken, op een kwartiertje rijden met de quad. Bleek die prooi heel vers; een paardje met alleen een kleine buikwond. Net die keer hadden we even geen ontvanger en geweer meegenomen, en de kill was nog wel van het grootste mannetje. Onze harten klopten als een bezetene. Door de dichte vegetatie zie je niet of er een poema of een beer aankomt. Precies die situatie dus waarin je niet moet komen. We zijn snel weggegaan.’ Het grote mannetjes is overigens niet veel later doodgeschoten door een jager, weten de jongens. ‘Er wordt op ze gejaagd volgens een quotumsysteem op basis van oude gegevens.’
De studenten overnachtten meestal in het huis dat ze deelden met andere onderzoekers, met de luxe van een warme douche en koud bier. Soms waren de plekken die de twee moesten bezoeken echter te afgelegen en bleven ze een paar dagen weg. ‘Dan namen we de tent en proviand mee en gingen onze eigen gang. ‘s Avonds een vuurtje maken, hengeltje mee in de hoop dat we een vis vingen. Maar je moest wel altijd alles goed opruimen. Als we de pan waarin we eieren met spek hadden gebakken buiten zouden laten staan, hadden we geheid nachtelijk berenbezoek gekregen. Die halen echt alles overhoop. Dus stopten we alles, tot de tandpasta toe, in goed afsluitbare dozen die we in onze auto zetten. Of we hingen de spullen in een boom.’ Echt mis ging het nooit. Zelfs een verloren GPS werd teruggevonden. Bouke: ‘Eigenlijk hebben we alle soorten van geluk gehad.’

Re:ageer