Wetenschap - 1 januari 1970

Jeugdervaring bepaalt het zoekgedrag van roofmijten

De plant waarop een roofmijt zijn jeugd doorbrengt is in zijn latere leven van grote invloed op de planten die hij opzoekt om zijn prooi op te vinden. Dit blijkt uit onderzoek waarop ir Jetske de Boer deze week promoveert.

Roofmijten vinden hun prooien, de door plantenliefhebbers zo gehate spintmijten, door zich te richten op de geurstoffen die planten uitscheiden als ze door de spintmijten worden aangevreten. ,,De roofmijt moet zijn weg weten te vinden in een wereld vol geuren’’, aldus De Boer. In een proef gaf ze de roofmijt naast de vraatgeur van spintmijt ook de geur te verwerken die vrijkomt als rupsen, een ongeschikte prooi voor de roofmijt, een plant aanvreten. De roofmijt weet dan meestal feilloos het goede geurspoor te vinden. De roofmijt wordt echter op een dwaalspoor gebracht als de vraatgeur afkomstig is van een rups die vreet van een plant waarop de roofmijt is opgegroeid.
Volwassen roofmijten kunnen, net als sluipwespen, leren hun zoekgedrag aan te passen aan nieuwe vraatgeuren. De Boer: ,,Vooral belonende ervaringen hebben een duidelijk effect. Als een op komkommer opgekweekte roofmijt zich één dag kan voeden op spintmijten die op een bonenplant vreten, dan gaat de roofmijt voortaan af op de geur van aangevreten bonen.’’ Sluipwespen hebben maar een leerervaring van enkele seconden voor nodig, terwijl de leerperiode voor roofmijten eerder in de orde van uren ligt. ,,Roofmijten hebben een veel langduriger relatie met hun prooi, want ze voeden zich er hun hele leven mee. Ze kunnen het zich niet veroorloven bij een nieuwe geurervaring gelijk het roer om te gooien’’, aldus De Boer. | G.v.M.

Ir Jetske de Boer promoveert op vrijdag 13 februari bij prof. Marcel Dicke, hoogleraar Entomologie, en prof. Maus Sabelis, hoogleraar Populatiebiologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Re:ageer