Organisatie - 4 oktober 2007

‘Je mag aan alles sterven behalve aan aids’

Loes Witteveen is net bekomen van de drukte rondom de opera Valley of the Druves die ze verzorgde bij de opening van Forum, en legt nu de laatste hand aan de film Close concerns, distant mountains. Het is de laatste van een serie over de invloed van aids op de agrarische gebieden van Afrika en Azië. Witteveen, coördinator van de mastercursus TREAT bij Van Hall Larenstein Wageningen, maakte de films voor mensen die in deze gebieden werken aan plattelandsontwikkeling.

Loes Witteveen tijdens opnames
‘Aids was een shockerend probleem dat ineens op het bord van de professionals kwam te liggen’, vertelt Witteveen. ‘Er zijn natuurlijk wel meer dodelijke ziektes, maar het wrede van aids is dat het mensen treft tussen de twintig en de vijftig jaar, de productieve beroepsbevolking dus.’ Kwetsbare groepen als kinderen en bejaarden blijven over. En dan gaat er ook nog arbeidskracht verloren aan de langdurige verzorging van zieken, evenals door de vaak lange rouwrituelen. Bovendien rust er een taboe op aids, als seksueel overdraagbare aandoening.
‘Je mag aan van alles dood gaan, aan malaria en longziekten, maar niet aan aids’, aldus Witteveen. ‘De ziekte wordt sterk gestigmatiseerd binnen een conservatieve sector als de landbouw, maar raakt aan existentiële problemen. Het gaat om een epidemie die de hele maatschappij treft en die hartverscheurende situaties veroorzaakt.’
In de film When I die, tell Eliza over aidswezen in Zambia, vertelt Florence dat ze op haar zeventiende voor de acht kinderen van haar aan aids overleden zus en zwager moest zorgen. Om de kinderen eten te kunnen geven en naar school te kunnen laten gaan, ging ze in de stad aan de slag als prostituee. Negen maanden na de opnames stierf ze; de film is aan haar opgedragen. Witteveen vond haar verhaal shockerend.‘Het is een klassiek migratieverhaal, maar daar hadden we toen nog geen notie van. Dit soort individuele verhalen stonden model voor groepen mensen en trends die we jarenlang niet hebben gezien.’
De verspreiding van hiv/aids op het platteland confronteert ontwikkelingswerkers met problemen als het wegvallen van arbeidskracht en de armoedespiraal waarin mensen terechtkomen als ze uit nood naar de stad migreren. Oplossingen zoeken de professionals bijvoorbeeld in kredietverlening aan getroffen families en in het introduceren van gewassen die kinderen en bejaarden ook kunnen verbouwen.
Breed publiek De vijf films uit de serie zijn gemaakt tijdens opfriscursussen over aids en rurale ontwikkeling voor internationale alumni van hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) en Wageningen Universiteit. Tanzania, Zambia, India en Ghana vormden de locaties van deze cursussen. ‘Het was hartstikke duur om zo’n cursus voor 25 man te organiseren’, legt Witteveen uit. ‘Daarom zochten we een manier om de kennis en ervaring die voortkwam uit zo’n uitwisseling met meer mensen in het vakgebied te delen. We wilden de energie en betrokkenheid die van de cursisten afspatten, vastleggen om daarmee mensen te motiveren en inspireren.’ 
Films die Loes Witteveen maakte over plattelandsontwikkeling en aids 2002 Tanzania: Kilio - The Cry Een portret van door aids getroffen plattelandsgemeenschappen en van de betrokken ontwikkelingswerkers. 2004 Zambia: When I die, tell Eliza Het verhaal van Eliza roept professionals op om aidswezen te ondersteunen bij het voorzien in hun levensonderhoud. 2005 India: From Darkness to Light Over het gevecht tegen hiv/aids van een Indiase ngo en de ervaringen van Aziatische ontwikkelingswerkers. 2005 Ghana: When the Beat of the Drum Changes, the Steps Will Follow Over de aidsproblematiek in West-Afrika. 2007 Tanzania: Close Concerns, Distant Mountains Aziatische en Afrikaanse professionals leren van elkaar hoe ze kunnen omgaan met de veranderingen die hun werk ondergaat onder invloed van hiv/aids op het platteland.
De eerste film uit 2002 gaat over door aids getroffen plattelandsgemeenschappen in Tanzania. Witteveen: ‘Hij werd geschoten met een kleine Sony-camera, maar bleek een enorme uitwerking te hebben. Ondanks de ongerichte distributie was er veel vraag naar.’ En ook de opvolgers van deze film bleken interessant voor een breder publiek dan de oorspronkelijke doelgroep van professionals in plattelandsontwikkeling. Zo werd de film over Zambia daar op de nationale televisie vertoond en zijn er twee films geselecteerd voor een festival van internationale community films in Northhampton.
Witteveen: ‘De films geven geen mening weer en het zijn ook geen documentaires. Ze laten zien dat het goed is om je af te vragen hoe dingen in elkaar zitten. Mensen worden geraakt door het onderwerp en de openheid van de geïnterviewde mensen. Sommigen vinden het trage films. Dat klopt wel, ze zijn niet op MTV-snelheid gemonteerd. Wat niet wordt gezegd is ook van belang.’
Bloot onderbeen Het idee voor het thema hiv/aids en de gevolgen daarvan voor plattelandsontwikkeling ontstond acht jaar terug, toen studenten van de cursus Training, Rural Extension And Transformation er een korte film over maakten. TREAT, een specialicatie bij de masteropleiding Management of Development, richt zich op communicatie en voorlichting bij veranderingsprocessen in plattelandsgebieden. De studierichting heeft alleen internationale studenten en kent een onderdeel mediastudies. ‘Daarbij gaat het om verbeelding, praktische uitwerking en creativiteit. Eigenlijk wordt er eens op een andere manier aan studenten getrokken’, aldus Witteveen. Het filmpje van drie minuten over de aidsproblematiek op het platteland leidde tot heftige commotie, herinnert Witteveen zich. ‘Er gingen geruchten rond dat het een pornofilm zou zijn. Het blootste wat erin zat was een shot van een onderbeen! Voor ons was de opschudding een indicatie van de kracht van film, tezamen met een onderwerp waar iedereen reuze zenuwachtig van werd.’
De vijf films die volgden regisseerde Witteveen zelf, evenals een deel van de opera Valley of the Druves die studenten van VHL opvoerden bij de opening van Forum. ‘Het was fantastisch om de opera met zo’n grote groep mensen tot stand te brengen’, zegt ze enthousiast. Het regisseren van de films was natuurlijk heel anders. ‘Wat er tijdens de opfriscursussen gebeurde, was grillig en onvoorspelbaar. Wel kon je op elkaar inspelen en voor beelden zorgen. Als iedereen met een schrift in een bankje zit, levert dat altijd saaie plaatjes op.’
Witteveens vakgebied is voorlichting en mediacommunicatie. Na haar studie Theater and media for development was ze betrokken bij theaterprojecten op het gebied van landbouwvoorlichting en media op de Antillen en in Nicaragua. Veertien jaar geleden begon ze als docent bij VHL in Deventer bij de richting TREAT, die ze nu coördineert. Tussendoor deed ze ook onderzoek naar de vormgeving van internationaal en intercultureel onderwijs bij Agrarische onderwijskunde van Wageningen Universiteit. Momenteel werkt ze aan haar PhD.
Zorg en tederheid ‘Zelf vind ik het een beetje brutaal om te zeggen dat mijn werk uniek is. Over de hele wereld zijn er zoveel verschillende projecten. Het mooie van de films is dat ze laten zien dat professionals bereid zijn om verantwoordelijkheid te nemen om dingen op te pakken’, zegt Witteveen. Terugkijkend op de serie realiseerde ze zich steeds meer hoe belangrijk het is om goed en mooi te filmen. ‘Gaandeweg wordt de schoonheid van ieder verhaal, van ieder mens, steeds belangrijker in mijn filmwerk. Bij de eerste films maakten cursisten deel uit van de crew, maar dat deed afbreuk aan de kwaliteit van de opnames.’ Vanaf de derde film is er alleen met een professionele ploeg gewerkt. ‘Filmtechniek, inhoud en ontroering hangen samen. Een persoonlijk verhaal is een geschenk, waar je met de grootst mogelijke zorg en tederheid mee om moet gaan. Zo’n interview laat je niet door de eerste de beste gek met een camera vastleggen. De openheid waarmee mensen meewerken aan projecten is zo bijzonder, dat vertrouwen mag je niet beschamen.’
De laatste film, ‘Close Concerns, Distant Mountains’, brengt VHL- en WUR-alumni uit Afrika en Azië samen. Binnen enkele weken komt de film uit. En dan is de serie af. ‘De films tonen het belang van nationale structuren en nationale respons. Wij duwen en trekken aan taaie en trage lokale processen. Dat is niet superflitsend, maar moet wel gebeuren. Het debat over hiv/aids en plattelandsontwikkeling heeft zich nu uitgekristalliseerd. Het wordt hoog tijd voor iets anders.’

Re:ageer