Organisatie - 15 februari 2007

Jaloers op ‘voorgetrokken’ instituten

Ze zijn bijna tien jaar bij elkaar, en het huwelijk is min of meer gelukkig. Maar de relatie tussen de Landbouwhogeschool - later Wageningen Universiteit – en de instituten voor Landbouwkundig Onderzoek – later DLO – is niet altijd even warm geweest. Begin jaren zestig was er zelfs sprake van onverholen afgunst. ‘De Mansholtlaan, waaraan een groot deel van de nieuwe instituten was gebouwd, werd spottend het Miljoenenlaantje genoemd.’

101_opinie_0.jpg
Na de oorlog schieten de instituten voor landbouwkundig onderzoek dankzij de Marshallhulp en de inspanningen van landbouwminister Mansholt als paddenstoelen uit de grond. Een explosieve groei die een praktisch probleem met zich meebrengt. De vraag naar landbouwkundige onderzoekers neemt toe en aan de LH maken mensen zich zorgen: is de hogeschool door de gebrekkige aandacht voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek wel in staat voldoende goede onderzoekers op te leiden?
Het probleem wordt onder de aandacht gebracht bij landbouwminister Marijnen, die daarop de Commissie Fundamenteel Onderzoek in de Landbouw (FOL) opricht, onder voorzitterschap van de Utrechtse plantkundige Koningsberger. Die maakt in een briefwisseling meteen duidelijk wat hij als het belangrijkste vraagstuk ziet: ‘Met grote voortvarendheid is een aantal onderzoeksinstituten in het leven geroepen die jaarlijks over een zeer aanzienlijk bedrag kunnen beschikken en waaraan in toenemende mate fundamenteel onderzoek wordt bedreven. Deze instellingen zijn thans zo krachtig uitgegroeid, dat de vraag rijst of onze enige nationale Landbouwhogeschool zich wel in een hieraan evenredige mate heeft kunnen ontwikkelen.’
In het rapport dat de commissie begin 1961 uitbrengt wordt deze vraag met een duidelijk ‘nee’ beantwoord. De landbouwhogeschool is volgens het rapport ‘wat behuizing, personeelsbezetting en outillage betreft veelal ver achter gebleven’. ‘Dit wordt des te pijnlijker gevoeld, omdat in en om Wageningen tal van ruime, moderne en voortreffelijk uitgeruste gebouwen zijn verrezen waarin instituten voor landbouwkundig onderzoek zijn gehuisvest. ’
Een vergelijking van de begrotingscijfers van de LH en de instituten toont volgens de commissie aan dat de verhouding ‘verre van optimaal is’. De twintig instituten krijgen een ‘zes maal zo groot gemiddeld crediet’ als de vijftig afdelingen van de LH. Als alleen de landbouwkundige vakgebieden worden vergeleken is ‘de materiële researchcapaciteit van de instituten minstens een factor tien groter’. Een verhouding die de commissie ‘niet verantwoord’ acht. En passant wordt ook gesignaleerd dat de vergelijking van salarissen vrijwel altijd in het voordeel van de instituten uitvalt.
In kringen van de LH heerste onvrede en afgunst over de ongelijke situatie, erkent ook emeritushoogleraar bodemscheikunde prof. G.J. Bolt, destijds secretaris van de commissie Koningsberger. ‘De Mansholtlaan, waaraan een groot deel van de nieuwe instituten was gebouwd, werd spottend het Miljoenenlaantje genoemd.’
De aanbevelingen van de commissie hebben volgens hem duidelijk effect gehad op de verdieping en verbreding van het onderzoek van de hogeschool, en later de universiteit. Het heeft de weg gebaand voor fundamentele leerstoelen als Biochemie en voor niet-landbouwkundige disciplines als Levensmiddelentechnologie, Meteorologie en Voorlichtingskunde. Echt ten koste van de instituten ging deze verschuiving niet. Bolt: ‘In die dagen was geld geen probleem. Het evenwicht werd gewoon hersteld door de LH voortaan meer budget te geven.’

Re:ageer