Wetenschap - 1 januari 1970

Is ondernemerschap de redding?

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit trekt zich terug. Het wil niet meer ‘zorgen voor’ maar ‘zorgen dat’, staat in de nota Kiezen voor landbouw. Agrariërs moeten zelf op zoek naar nieuwe manieren om een duurzame toekomst op te bouwen voor hun bedrijf. Ondernemerschap is daarbij het toverwoord. Maar wat is dat eigenlijk? En kan het werkelijk de landbouw redden?

De Eemlandhoeve in Bunschoten is een duidelijk voorbeeld van het nieuwe ondernemerschap. Het was een biologisch melkveebedrijf, maar eigenaar Jan Huijgen heeft het omgebouwd tot vergaderboerderij en educatief centrum. / foto De Eemlandhoeve

Volgens dr. Carolien de Lauwere van het LEI is ondernemerschap niet zomaar een hype, en kan het wel degelijk een oplossing zijn voor de Nederlandse landbouw. ‘Maar het is wel een plotselinge overgang voor ondernemers. Decennialang zijn ondernemers eigenlijk verwend, is er voor hen gezorgd door een goed samenwerkend drieluik van overheid, onderwijs en voorlichting. Nu moet het ineens anders. Dat kan, maar er is wel ondersteuning van de overheid voor nodig. Want veel ondernemers hebben nog een andere manier van denken. Hen is geleerd te streven naar productieverhoging en specialisatie. Nu moeten ze ineens ook in andere richtingen zoeken, hebben ze een helikopterview nodig en een open oog voor de omgeving. Wat zijn maatschappelijk gewenste richtingen? Hoe kunnen ze zo goed mogelijk inspelen op de eisen die de omgeving aan hen stelt? Wat past bij hen en bij hun bedrijf?’
Ondernemers komen veel belemmeringen tegen, te beginnen bij de regels. Het is bijvoorbeeld lastig om op land met een agrarische bestemming iets anders te gaan doen. Maar er zijn meer beren op de weg. Zo weten banken niet goed raad met de verbrede landbouw. Een hypotheek voor een nieuwe varkensstal is snel berekend, maar een kinderdagverblijf op de boerderij wordt al ingewikkelder.
Belangrijk knelpunt, concludeert De Lauwere, is het gebrek aan kennis over de verbrede landbouw en over de knelpunten in ondernemerschap. ‘De beste ondernemer bepaalt zelf zijn omgeving en gaat netwerken’, vult dr. Jos Verstegen van de leerstoelgroep Educatie en competentiestudies en het LEI aan. ‘Maar de grote groep van volgers kan wel geholpen worden als de ondernemer meer ruimte krijgt.’

Lef en ambitie
De Lauwere en Verstegen werkten aan een onderzoek waarin een aantal randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap worden genoemd. Belangrijkste is de aard van de ondernemer zelf. Als die lef en ambitie heeft, in staat is over ongebaande paden te gaan en tegen de stroom in te roeien, dan komt hij of zij waarschijnlijk een heel eind. Een intrinsieke ‘drive’ is ook heel belangrijk, zegt De Lauwere. ‘Altijd op zoek zijn naar nieuwe mogelijkheden om invulling te geven aan de uitdagingen die vanuit de omgeving op je af komen.’
Verder kunnen prikkels van buitenaf om te veranderen een rol spelen. ‘Dat kan wetgeving zijn of bepaalde ontwikkelingen waardoor je op je vingers kunt natellen dat het in de nabije toekomst anders moet met je bedrijf.’ Een gunstig veranderingsklimaat, voldoende draagvlak bij betrokken mensen die dezelfde belangen hebben en een duidelijke probleemeigenaar zijn ook factoren. En daarnaast moet een ondernemer de ruimte krijgen om te experimenteren en te leren en een netwerk opbouwen. Een interventie van de overheid, bijvoorbeeld een financiële prikkel, kan de doorslag geven.
‘Je kunt natuurlijk geen blauwdruk geven voor succesvol ondernemerschap, omdat toeval ook een grote rol speelt’, zegt De Lauwere. ‘Toch is het nuttig dit soort onderzoek te doen. Je kunt een aantal handreikingen geven aan beleidsmakers. De belangrijkste daarvan is dat als je wilt dat mensen veranderen, je veranderingen op maat mogelijk moet maken. Gelukkig is het ministerie van LNV daar ook al van doordrongen. Ruimte geven in plaats van richting geven wordt ook genoemd als één van de speerpunten in de nota Kiezen voor landbouw. En er moet meer kennis komen over de belemmeringen voor ondernemers. Bovendien moeten de instituties in de landbouw veranderen. Allerlei diensten in de landbouw zijn nu nog gericht op de grootschalige gespecialiseerde boer. Denk bijvoorbeeld aan een slachterij die alleen grote partijen kan verwerken. Om kleinere partijen te verwerken, is een heel ander soort fabriek nodig. Dat zijn zaken die moeten veranderen.’

De ‘nieuwe boer’ moet lef hebben, de overheid moet ruimte geven
Vergaderboerderij
Wat denken ondernemers er zelf van? Ir. Jan Huijgen is eigenaar van de Eemlandhoeve in Bunschoten, en een van de ondernemers die meewerkte aan het onderzoek van De Lauwere. Hij had een biologisch melkveebedrijf, maar heeft het bedrijf inmiddels omgebouwd tot vergaderboerderij en educatief centrum. Schoolkinderen krijgen er natuuronderwijs, ondernemers praten er over plattelandsontwikkeling en er worden allerlei creatieve cursussen gegeven. Op regionaal niveau werkt Huijgen in een vereniging voor natuurbeheer. En ook op landelijk niveau is hij actief. Vorige week had de ondernemer vier ministers op bezoek die kwamen praten over ‘meer kwaliteit met minder regels’.
Huijgen: ‘De clou is dat je als ondernemer helder voor de kop moet hebben waar je naar toe wilt. Vervolgens kom je kansen en hobbels tegen. De eerste kans die ik tegenkwam was via mijn kinderen op school. Daar was behoefte aan natuureducatie, en die ging ik geven. Ik begon kleinschalig, omdat ik anders problemen met de gemeente kreeg. Dat was de eerste hobbel.’ Het bedrijf van Huijgen had een agrarische bestemming, en de gemeente bedoelde daarmee agrarische productie. ‘Ik wilde het begrip agrarische bestemming verbreden, zodat er ook educatie en natuur- en landschapsbeheer onder zou vallen. Daarvoor moest ik bij de lokale politiek draagvlak krijgen. Dus netwerken, en vertrouwen opbouwen, zodat zij er op gingen vertrouwen dat ik het land niet aan McDonald’s zou verkopen.’
De strikte regels in de ruimtelijke ordening, maar ook in bijvoorbeeld de mestwetgeving of de regels voor bedrijven die een horecafunctie willen, ziet Huijgen als het belangrijkste obstakel. ‘Er zit veel angst achter die regels. Men timmert zaken dicht, uit angst voor misbruik. Ik vind dat ondernemers vertrouwen moeten winnen door ook echt te laten zien dat ze het algemene belang dienen en niet alleen hun eigen belang. Maar bestuurders moeten dan ook wat meer lef en volwassenheid tonen en het gewoon gaan doen. Later kan er dan een evaluatie komen om te zien of alles goed gaat.’

Nieuwe ideologie
Ruraal socioloog prof. Han Wiskerke kent Jan Huijgen goed en ziet hem als een goede ondernemer. ‘Niet op de automatische piloot het gebruikelijke traject van schaalvergroting en specialisatie volgen, maar je afvragen wat je kan, wat je wil, waar vraag naar is en welke specifieke kansen je bedrijf en je omgeving bieden. Jezelf deze vragen stellen betekent niet automatisch dat je kiest voor een multifunctioneel bedrijf, het kan ook betekenen dat je wel doelbewust kiest voor schaalvergroting.’
Wiskerke onderschrijft de analyse van De Lauwere en Verstegen. ‘Ondernemerschap is geen hype. Een meer ondernemende mentaliteit bij boeren zou zeker niet slecht zijn. Punt is wel dat een groot deel van de boeren zich nog los moet zien te weken van de ondernemersideologie die decennialang dominant is geweest. In die ideologie is een echte agrarische ondernemer iemand die zich sterk richt op mechanisatie van het arbeidsproces, schaalvergroting, specialisatie, productieverhoging en productie voor de wereldmarkt. Maar tegelijkertijd is het iemand die eigenlijk verlangt dat de overheid de prijzen van agrarische producten op een acceptabel niveau handhaaft, bijvoorbeeld door de markt te reguleren. Deze ideologie tref je vooral aan bij boeren die onderhevig zijn geweest aan het Europese markt- en prijsbeleid, zoals akkerbouwers en melkveehouders. Met name bij de jongere generatie boeren zie je echter een nieuw ondernemersideologie ontstaan. Bij hen is maatschappelijke verantwoord ondernemen echt geïnternaliseerd. Dat betekent dat diversificatie van productie, natuur- en landschapsbeheer, recreatie, educatie en zorg serieuze aspecten van het plattelandsondernemerschap zijn.’
Net als De Lauwere, vindt Wiskerke dat de overheid wel nog een taak heeft. ‘Ondernemerschap benadrukken mag geen excuus van de overheid zijn om zich niet langer bezig te hoeven houden met landbouw en platteland. Plattelandsontwikkeling mag niet worden overgelaten aan de markt. De overheid heeft een rol, maar wel een andere dan tot op heden: meer faciliteren en mogelijkheden scheppen, in plaats van tot op de komma reguleren en in detail controleren.’
Het gaat Wiskerke in de eerste plaats om een ‘kwantitatieve vermindering en kwalitatieve verbetering van de wet- en regelgeving’. Ook aan de kennis over landbouw en platteland moet nog veel veranderen, denkt Wiskerke. ‘Binnen Wageningen UR is er gelukkig de laatste jaren wel meer aandacht voor zaken als multifunctionele landbouw en diversiteit in ondernemersstrategieën en bedrijfsontwikkelingpatronen. Maar ik vraag me af of dit soort inzichten al zijn ingebed in praktijkonderwijs en voorlichting en advies aan boeren.’

Joris Tielens

Re:ageer