Organisatie - 21 februari 2008

Is geheimhouding van onderzoek geoorloofd?

Minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil een stilteperiode van maximaal twee maanden, nadat onderzoeken in haar opdracht zijn afgerond. Ze wil tijd hebben om te doorgronden wat de impact van het onderzoek is, zodat ze niet wordt verrast door vragen van Kamerleden of de media. Een begrijpelijke wens?

473_opinie_0.jpg
473_opinie_0.jpg

Foto: .

Ir. Geert van der Peet, divisie Veehouderij, Animal Sciences Group (ASG)
‘Ik heb de brief van de minister nog niet gelezen maar wist dat hij zou komen. Dat de minister onderzoek twee maanden geheim wil houden kwam me in eerste instantie vreemd over. Geheimhouden kan volgens mij niet eens. Wij doen voor LNV openbaar onderzoek dat wordt uitgevoerd met maatschappelijke gelden. Soms komen onderzoekresultaten LNV minder goed uit, maar dat mag geen reden zijn niet te publiceren.
Het is in het verleden echter ook wel gebeurd dat een onderzoeksopdracht door ons naar buiten werd gebracht zonder dat we vooraf met het ministerie goed over de communicatie hadden gesproken. Daarom kan ik me deze stap van LNV best voorstellen en denk ik dat die de professionele relatie tussen onderzoekers en de opdrachtgevers bij het ministerie kan verbeteren. Ik denk dat een periode van geheimhouding bijvoorbeeld zinvol is voor onderzoek waar een enorme politieke lading aan zit. Het is wel eens voorgekomen dat wij onderzoek hadden gedaan over de biologische landbouw en het dreigde dat er Kamervragen werden gesteld, voordat de minister op de hoogte was. Dan wordt de minister via een omweg geïnformeerd. Zo moet het natuurlijk niet gaan.
Het is goed dat de beleidsdirecties er samen met de onderzoekers over nadenken hoe resultaten naar buiten moeten worden gebracht. Het bevordert dat we zorgvuldig met elkaar omgaan. Daar valt nog wel wat te verbeteren - van beide kanten. Maar het lijkt mij niet nodig dat daarom altijd twee maanden gewacht moet worden met het openbaar maken van onderzoek.’

Krista van Velzen, Tweede Kamerlid voor de SP[img]
‘Natuurlijk heeft de opdrachtgever bepaalde rechten. En natuurlijk mag de minister eerder kennis nemen van onderzoeksrapporten die in haar opdracht zijn gemaakt. Maar een periode van twee maanden is wel érg lang. Ik zou eerder denken aan een paar dagen, of een week. Tenslotte hebben ambtenaren van het ministerie ook de concepten van de rapporten al gezien, dus ze kunnen nooit verrast zijn door de uitkomsten.
Het lijkt er wel erg op dat de minister resultaten van onderzoek die niet zo wenselijk zijn, door dit soort regels in een la wil laten verdwijnen. Dat is onwenselijk, alleen al om het feit dat zo’n onderzoek na verloop van tijd toch boven water komt en de minister dan misschien alsnog met de broek op de knieën naar de Tweede Kamer kan komen. Voor je het weet krijg je situaties als met het voor de minister achtergehouden VWA-rapport over veetransporten waarin resultaten stonden, die niet zo goed uitkwamen en dat een jaar op het ministerie rondslingerde.
De minister is niet zo maar een opdrachtgever. Zij besteedt geld van ons allemaal voor het onderzoek, dus mogen we dat ook allemaal weten. Wij krijgen als Tweede Kamer vaak ook geen twee maanden de tijd om te reageren op kabinetsbeleid, dus het lijkt me niet nodig dat de minister zoveel tijd neemt voor onderzoeksrapporten.’

Ir. Kees Hendriks, onderzoeker Alterra[img]
‘Ik heb het zelf nog nooit meegemaakt dat voor mijn eigen onderzoek achteraf een periode van twee maanden nodig was om de minister de tijd te geven op het onderzoek in te spelen. Ik kan me heel goed voorstellen dat het ministerie als opdrachtgever graag over de onderzoeksresultaten wil communiceren, en dan vooral over de beleidsconsequenties daarvan. En het is ook logisch dat je als onderzoeker de opdrachtgever als eerste op de hoogte stelt van de onderzoeksresultaten. Maar wat ik daarnaast erg belangrijk vind is dat wij als onderzoeksinstelling ook zelf ons in het openbaar moeten kunnen verantwoorden voor ons eigen onderzoek, tegenover collega-wetenschappers en tegenover de maatschappij. Want uiteindelijk gaat het bij het onderzoek voor het ministerie wel om gemeenschapsgeld dat wij gebruiken voor onderzoek.
Natuurlijk kun je vooraf afspreken dat je bepaalde mensen eerst informeert over de resultaten, maar buiten kijf staat dat de gegevens in principe openbaar moeten worden. Dat hoort bij de wetenschappelijke spelregels: je kunt vrijelijk publiceren en je moet verantwoording afleggen over de gebruikte methoden. Overigens heb ik het voor mijn eigen onderzoek nooit meegemaakt dat opdrachtgevers vooraf vroegen om resultaten niet openbaar te maken.’

Hans Blom, directeur voorlichting van het ministerie van LNV [img]
‘Waar het de minister om gaat is dat we met Wageningen UR afspraken kunnen maken over hoe we omgaan met de publiciteit over onderzoek dat in opdracht van het ministerie is gedaan. In beginsel houden we een periode van twee maanden aan, maar daar kunnen we van afwijken. Het gaat er niet om invloed uit te oefenen op het rapport, want die twee maanden gaan in nadat het rapport klaar is.
Het is wel eens gebeurd dat anderen eerder op de hoogte waren van onderzoek dat in onze opdracht was gedaan. Dat willen we voorkomen. Natuurlijk is het zo dat er contact is tussen het ministerie en onderzoekers in de conceptfase van het rapport. Maar die kennis blijft in het ministerie beperkt tot enkele personen. In de twee maanden daarna kunnen we bekijken wat de mogelijke impact van het onderzoek is.
Het is niet zo dat deze maatregel uit de koker van de minister zelf komt. Maar ze juicht hem wel toe. Als je me vraagt of er concrete voorbeelden zijn uit het verleden, waarin die periode van twee maanden nuttig zou zijn geweest, kan ik me die niet zo voor de geest halen. Daar mag je niet uit concluderen dat het dus niet belangrijk is, want dat kan ook aan mijn geheugen liggen.
Oh ja, ik wil dit stukje wel even in concept lezen en dan neem ik twee maanden de tijd. Ha, ha!’

Prof. Martin Kropff, vice-voorzitter raad van bestuur van Wageningen UR [img]
‘Wij begrijpen dat de minister zich goed wil kunnen voorbereiden op vragen en publiciteit naar aanleiding van resultaten van door LNV gefinancierd onderzoek. Ze houdt zich ook aan de richtlijnen van de KNAW op dit gebied. Die schrijven voor dat onderzoeksresultaten zelfs maximaal zes maanden geheim gehouden mogen worden. Bij andere financiers zoals NWO-STW gebeurt dat ook. Het is dus een billijk verzoek. Wij willen ook dat er over de resultaten van ons onderzoek goed wordt gecommuniceerd.
Maar wij willen wel met de minister overleggen over de uitvoering. Niet al het onderzoek is politiek gevoelig. En bovendien is het niet zo dat twee maanden wachten met publiceren de doelstelling van de minister automatisch dichterbij helpt. Het LEI stuurt nu elk kwartaal een bericht naar de minister met onderzoeksresultaten die nog in de pijplijn zitten. Zo’n model biedt misschien ook wel een goede aanvullende manier om met weinig bureaucratie de communicatie over onderzoeksresultaten te verbeteren.’

Re:ageer