Organisatie - 8 maart 2007

Is Wageningen UR een eenheidsworst?

De universiteit sneeuwt onder, stelde de gemeenschappelijke vergadering, het inspraakorgaan van de universiteit, vorige week in dit blad. Geld speelt ten onrechte een hoofdrol aan de academie en samenwerking met de instituten wordt door het management soms belangrijker gevonden dan de positie van de universiteit. Hoe denken medewerkers van instituten en hogeschool er over?

119_opinie_0.jpg
119_opinie_0.jpg

Foto: .

Leen Moraal, insectenkundige bij Alterra
‘Ik kom nog wel eens ergens voor een lezing. Dan leg ik uit wat het logo in de powerpoint betekent. Dat wij samen met de universiteit deel uitmaken van dezelfde organisatie, en dat de verschillen steeds kleiner worden. Alterra staat heel goed bekend in onze wereld. Ik ben er wel trots op om voor ons instituut te werken en heb zeker niet het gevoel dat wij ondersneeuwen. Bij insectenplagen en kwesties met andere dieren weet iedereen ons meteen te vinden.
Wat ik wel eens jammer vind is dat wij niet meer onbekommerd onderzoek kunnen doen. Wij moeten geld binnenhalen en aan acquisitie doen. Dat is anders dan een jaar of tien geleden. Toen had je minder zorgen over geld. Ik denk dat het aan de universiteit makkelijker werken is, maar dat is maar een indruk. Ik werk persoonlijk nauwelijks samen met de universiteit, dus kan ook niet zo goed in de keuken kijken.
Ik hoop dat de samenwerking in de toekomst intensiever wordt, want er liggen wel kansen denk ik. Een aantal leerstoelgroepen van de universiteit is pas bij ons ingetrokken. Ik denk dat dat de samenwerking op lange termijn verbetert. Maar ze zitten hier nu nog maar een paar weken, het moet nog groeien.’

Dr. Frans Aarts, onderzoeker bij PRI[img]
‘De samenwerking heeft ons nog geen voordeel opgeleverd. Ik voel juist dat wij als instituut langzaam het onderspit delven. Het is maar een kleinigheidje, maar als je het algemene nummer van Wageningen UR draait, wordt er negen van de tien keer opgenomen met ‘Wageningen Universiteit’. Wij worden steeds meer gezien als instituut ónder de universiteit, niet ernaast. Wij worden minder herkenbaar. Als instituutsman doet me dat wel pijn, al heb je er praktisch gezien niet zo’n last van.
In ons vakgebied, de landbouw, stelt de universiteit niet zo veel voor. Ze zitten ons niet in het vaarwater, omdat ze geen echte concurrenten zijn. In ons deel van de wetenschappelijke wereld staat het instituut veel hoger aangeschreven dan de universiteit.
In mijn geval is de samenwerking met de universiteit de afgelopen jaren zelfs veel minder geworden. Vroeger zaten wij samen met Theoretische teeltkunde van de universiteit. Toen wist je vaak niet welke aanstelling collega’s hadden. Toen Wageningen UR van start ging, zijn we uit elkaar gehaald. Geen betere manier om de samenwerking te frustreren dan zo.
Misschien komt het in de toekomst weer goed. Samen huisvesten zoals in het Atlasgebouw ijkt me een goed idee.’

Ir. Gijs van Kruistum, praktijkonderzoek Akkerbouw, groene ruimte en vollegrondsgroenten[img]
‘Als je hier een enquête zou houden over de vraag of we als zelfstandig instituut de markt op zouden moeten gaan, los van Wageningen UR, zou ik je de uitslag niet durven voorspellen. Het gaat ons de laatste tijd behoorlijk goed. Ik denk dat veel mensen hier denken dat we het zelfstandig ook wel zouden rooien, en dat we dan slagvaardiger zouden kunnen opereren. Ik heb de sommen niet voorhanden, maar veel mensen zijn er hier van overtuigd dat wij duurder zijn doordat wij bij Wageningen UR horen. En verder wordt er natuurlijk wel geklaagd over het keurslijf dat Wageningen oplegt, het elektronisch bestelsysteem bijvoorbeeld.
Ik kan me bij die gevoelens wel wat voorstellen, maar ik zou per saldo toch kiezen voor Wageningen UR. Ik denk dat de koepel betere garanties biedt om in de toekomst te overleven. Je ziet het bij het onderzoek voor de glastuinbouw. Dat blijft in de benen dankzij de samenwerking tussen het praktijkonderzoek en PRI. Het is dan belangrijk dat de verschillende onderdelen voldoende vrijheid krijgen. De laatste twee jaar zie ik ontwikkelingen de goede kant uit. In het nieuwe strategisch plan staat ook dat meer ruimte komt om tarieven vast te stellen.’

Hans Bezuyen, docent Diermanagement en MR-voorzitter aan Van Hall Larenstein Leeuwarden[img]
‘Laatst, na een gezamenlijke ontmoeting van de medezeggenschapsraden in Wageningen, bleef ik als toehoorder zitten bij een vergadering over de positie van de universiteit. Het viel me op dat Martin Kropff flink werd doorgezaagd door een aantal hoogleraren over onderzoek en onderwijs aan de universiteit in relatie tot Wageningen UR. Ik leefde tot dan toe in de veronderstelling dat de universiteit en Wageningen UR twee benamingen voor hetzelfde waren.
Zo zie je maar, de integratie is nog ver weg, wij bungelen er toch een beetje perifeer bij. Eigenlijk weten wij hier in Leeuwarden nog niet waar we aan toe zijn. We zijn een klein onderdeel van het machtige Wageningen UR, waar we een concernheffing aan betalen. Maar vooralsnog vragen we ons af wat we ervoor terugkrijgen. Een raad van toezicht en handdoekautomaten waar onze conciërges op mopperen want ze zijn zo onhandig. Als straks zal blijken dat onze studenten doorstromen dan wordt het pas interessant.
Je praat over twee onvergelijkbare grootheden. Wij zitten hier dicht op elkaar en de lijntjes naar ons eigen bestuur zijn kort. Wat overigens niet wil zeggen dat zaken automatisch makkelijker voor elkaar te krijgen zijn. VHL heeft een aparte begroting die in het niet valt bij de grote voet waarop Wageningen leeft. Zo heeft de medezeggenschap in Wageningen een budget van vier miljoen euro, wij moeten het doen met dertigduizend.’

Re:ageer