Organisatie - 1 januari 1970

Instituten hebben moeilijk eerste kwartaal

De onderzoeksinstituten hebben een slecht eerste kwartaal achter de rug. Samen boekten ze een negatief resultaat van ruim negen miljoen euro. Vooral het Praktijkonderzoek Veehouderij, Agrotechnology & Food Innovations (A&F) en Alterra zagen dieprode cijfers.

De raad van bestuur spreekt van ‘verontrustende cijfers’ in zijn managementbericht over het eerste kwartaal, en heeft in gesprekken met de directies van de kenniseenheden ‘de stormbal gehesen’. De instituten verwachten een deel van het opgelopen verlies gedurende het jaar nog te kunnen goedmaken. Uiteindelijk verwachten ze samen een verlies van 8,7 miljoen euro te boeken, 1,3 miljoen meer dan begroot. De verliezen bij Alterra, het Praktijkonderzoek Veehouderij en A&F komen niet onverwacht. Bij Alterra en het praktijkonderzoek zijn al verregaande herstelplannen gepresenteerd.
De kenniseenheid Plantenwetenschappen, die al enige tijd aan het bezuinigen is, mikte op een nulresultaat in 2004 maar zal dat naar verwachting niet halen. Oorzaak van het verwachte tekort zijn verliezen bij het Plantkundig Proefcentrum Wageningen. Slechts dertig procent van de capaciteit van de proeffaciliteiten worden benut. Ook het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving zal waarschijnlijk geen winst maken. De orderportefeuille is wel beter gevuld dan vorig jaar in het eerste kwartaal.
De instituten voor wettelijke taken CIDC-Lelystad en Rikilt boekten in het eerste kwartaal een positief resultaat, net als het LEI. ID-Lelystad boekte in het eerste kwartaal een verlies, maar verwacht het jaar wel met zwarte cijfers af te sluiten.
Ir. Kees van Ast, vice-voorzitter van de raad van bestuur noemt de situatie in een toelichting ‘alarmerend’. ,,In onze gesprekken met de directeuren van de kenniseenheden hebben we goed duidelijk gemaakt dat er gas gegeven moet worden.’’ Hoewel de cijfers tegenvallen, voorziet de financiële man van de raad van bestuur nog geen nieuwe maatregelen naast het herstelplan Focus 2006. ,,Dat zal het moeten zijn.’’ De prognoses voor de uiteindelijke jaarresultaten zijn gebaseerd op verwachtingen van de instituten zelf. Van Ast sluit nieuwe tegenvallers niet uit. ,, Instituten zijn altijd aan de optimistische kant, dat is logisch omdat ze in hun zaak geloven. Wij houden scherp in de gaten hoe de zaak zich ontwikkelt.’’
Plannen om nieuwe markten te veroveren, met name Europa als thuismarkt, zullen volgens van Ast voorlopig geen resultaten opleveren. ,,We hebben een moeilijke markt om ons in te vechten. Dit is onze eerste echte marktervaring. Die hebben we in een moeilijke tijd, bedrijven zijn erg terughoudend met investeren in onderzoek, en dat is logisch. We begonnen vijf jaar geleden natuurlijk met een mooie erfenis, een riante orderportefeuille. We zullen de komende jaren moeten zorgen dat we fitter worden voor de markt. Dat zal best pijn doen. Gelukkig boeken we al successen, zoals in Brussel, en op het gebied van genomics.’’
De universiteit heeft in vergelijking met DLO nauwelijks problemen. De raad van bestuur verwacht op basis van de cijfers over het eerste kwartaal dat de begroting gehaald zal worden. De departementen Maatschappijwetenschappen en Omgevingswetenschappen zullen daarvoor wel moeten bezuinigen. Maar er liggen betere tijden in het verschiet, volgens Van Ast. Volgend jaar heeft de universiteit acht miljoen euro meer te besteden, onder andere door de groei van het aantal studenten. | K.V.

Re:ageer