Organisatie - 22 februari 2018

‘Iedereen stoned of laveloos’

tekst:
Linda van der Nat

Voor nog geen zestig gulden per maand kon een student in 1969 een kamer huren in het kersverse Asserpark. De komst van de sterflats was bepalend voor de studentencultuur in Wageningen. Oud-huismeester Martin Ruijs kan er na veertig dienstjaren over meepraten. ‘Ze gooiden van alles uit het raam. Tafels, stoelen, televisies. Zelfs een keer een autoband.'

foto’s Guy Ackermans, archief Martijn Ruijs en Idealis

Martin Ruijs bij Asserpark in 1983
Martin Ruijs bij Asserpark in 1983

‘Wat is het hier schoon’, constateert Martin Ruijs vol verbazing als hij Annie’s Kroeg binnenloopt. Het café hoort bij sterflat Asserpark, jarenlang de thuisbasis van de beheerder van studentenhuisvester SSH-Wageningen (nu Idealis). ‘Is het hier altijd zo schoon of hebben jullie voor mij opgeruimd?’ vraagt hij een van de studenten van het kroegbestuur. Die lacht – het is hier altijd zo schoon. Ruijs: ‘Ik heb meegemaakt dat er op vrijdagochtend zo’n laag’ – duim en wijsvinger tien centimeter uit elkaar – ‘drab op de vloer lag. Bier, glas, viltjes. Heel smerig.’

Het is een tijd geleden dat Ruijs in Asserpark was; ruim acht jaar geleden ging hij met pensioen, nadat hij bijna veertig huismeester was geweest. De eerste jaren werkte hij aan de Nobelweg, waar in 1959 het eerste studentencomplex van Wageningen was verrezen. Drie jaar later verhuisde hij naar Asserpark.

Eerste sterflat
In de jaren daarvoor was het aantal Wageningse studenten explosief gegroeid. Tegelijkertijd nam de bereidheid bij particulieren af om kamers te verhuren. Er moesten dus maatregelen genomen worden. De toenmalige burgemeester besloot om in navolging van de gezinssterflats aan de westkant van Wageningen ook sterflats te laten bouwen voor studenten. Asserpark was in 1969 de eerste. Daarna volgden Hoevestein, Bornsesteeg, Dijkgraaf en Rijnsteeg. De laatste is inmiddels gesloopt en vervangen door Rijnveste.

Asserpark telt zeventien verdiepingen, met in het begin 387 kamers van gemiddeld 12 m2, verdeeld over 48 afdelingen. Elke afdeling bestond uit een gang met acht kamers, een gemeenschappelijke keuken, douche en wasruimte. Op de begane grond zaten een wasserette en een supermarkt. De allereerste huurders betaalden 59,50 gulden huur en 30,50 gulden servicekosten per maand.

Ruijs kwam er werken als onderhoudsmedewerker en was niet veel ouder dan de studenten. ‘Ik kwam uit een ander milieu, was het studentenleven niet gewend. Het was het hippietijdperk hè, dus Asserpark was te burgerlijk voor de studenten. De keuken had bijvoorbeeld een grote stalen bartafel met barkrukken, dat vonden ze niks. Dat moest aan de kant, er moesten kussens op de vloer komen. Pas later herkende ik ook het rare luchtje dat overal op de afdelingen hing.’

Meisjes apart
In de eerste jaren waren de vijf hoogste verdiepingen gereserveerd voor meisjes. Ruijs: ‘Op verdieping twaalf tot en met zestien zaten de dames en de overgang van elf naar twaalf, dat was alsof je een andere wereld instapte. De dames deden het toch echt wel beter. Het is misschien stigmatiserend, maar dames zijn van huis uit meer gewend zorg te plegen dan de heren. In het gebruik van dingen zijn heren gewoon wat lomper.’

In 1970 werd de scheiding tussen de seksen in de sterflats opgeheven. Vanaf dat moment mochten afdelingen ‘gemengd’ bewoond worden. Dat ging in het begin schoorvoetend; in 1976 waren er nog altijd achttien afdelingen ongemengd. Ruijs: ‘Er waren veel bestuurders en ouders die er problemen mee hadden, die ronduit zeiden: dit willen we niet. Het was natuurlijk een andere tijd, veel beschermder. Er is behoorlijk veel interne discussie over geweest. Maar studenten wilden het zelf graag.’ In het begin was het wel een raar gebeuren, zegt Ruijs. ‘De eerste jaren zag je vooral stelletjes die gingen samenwonen. Dan vroeg bijvoorbeeld een dame die kennis had aan een student: kom je bij mij wonen, want het kan nu. Dus eerst had je een hele scheve verhouding met dames en een enkele man, of omgekeerd.’

Soms had ik voor duizend euro aan verkeersborden staan

Laveloos
Ruijs woonde met zijn gezin in een hoekwoning aan de voet van de sterflat. Dat zorgde er nog weleens voor dat hij middenin de nacht moest komen opdraven. ‘Voordat de flatkroeg er was, was er iedere week wel een feest op een of meerdere afdelingen. Die werd dan compleet verbouwd. Alle matrassen voor de ramen, een flinke geluidsinstallatie erin en een bar in de hoek. Mensen uit de wijk stonden dan ’s nachts bij mij aan de deur omdat het maar niet ophield. Ik heb weleens meegemaakt dat ik op de afdeling kwam en niemand meer aanspreekbaar was. Iedereen stoned of laveloos. Dus de stekker uit de geluidsinstallatie, alle ramen en deuren dicht en dan de volgende dag terugkomen voor een goed gesprek.’

Het illustreert de verstandhouding die Ruijs door de jaren heen met de huurders heeft gekregen. ‘Ik heb nooit politieagentje willen spelen. Je kunt overal met een botte bijl ingaan, maar je moet het ook leefbaar houden. Schipperen, een beetje geven en nemen, met mensen praten, een beroep doen op hun redelijkheid.’ Op twee dingen sprak Ruijs de studenten consequent aan: schoonmaak en diefstal. ‘Vieze pannen, dat moeten ze zelf weten. Maar een laag viezigheid in de douche of het toilet, dat kon natuurlijk niet. Je moet niet ziek worden van het sanitair.’

Ook studenten die verkeersborden meesleepten naar hun afdeling, konden op een reprimande van Ruijs rekenen. ‘Afzetborden met knipperlicht, Te Koop-borden met paal en al, het was niet te geloven wat ze allemaal meenamen. Ik verzamelde de borden en dan belde ik de gemeente dat ze weer een zwikje konden halen. Ik liet ze nooit staan, het zijn hartstikke dure dingen. Soms had ik voor duizend euro aan borden staan.’

-Tekst loopt door onder de foto's-

Bekijk hier de fotoserie Asserpark jaren zeventig:

Asserpark uit de oude doos

Superdametje
In 1988 werd Asserpark verbouwd. De gezamenlijke keukens werden vernieuwd, de afdelingen kregen meerdere douches en de supermarkt en de wasserette verdwenen. Ook kwam er een inpandige café: Annie’s Kroeg. Dat was een uitkomst, zegt Ruijs. ‘Daarna was het eigenlijk wel gedaan met de geluidsoverlast.’ De kroeg werd vernoemd naar schoonmaakster Annie van Brakel, die het trappenhuis en het kantoor schoonhield. ‘Een superdametje’, zegt Ruijs. ‘Ze was echt een moeder voor die jongens en meiden. Ze kende iedereen, ze wist alles, werd overal voor aangesproken.’ Hij staat op en loopt naar de bar. ‘Hier boven de deur naar het keukentje hing altijd een foto van haar. Even kijken, ja hier is ze. Echt een leuk mens.’

Ruijs woonde toen al niet meer in de beheerderswoning. In 1985 verhuisde hij met zijn gezin naar Rhenen. ‘Het was mooi geweest. Het nadeel van die woning is dat je altijd door een derde van de bewoners in de nek wordt gekeken. Dan zei een student: Goh meneer Ruijs, heeft u de auto weer gewassen? Je kon ook nooit buiten zitten. We hadden weinig zon en het waaide enorm om de flat heen.’ Op regelmatige basis moest Ruijs ook de tuin in om allerhande huisraad van het grasveld te plukken. ‘Ze gooiden van alles uit het raam. Tafels, stoelen, televisies, deksels, vorken, messen. Zelfs een keer een autoband. Ik heb ook katten van het dak af moeten schrapen die van het balkon waren gevallen.’

Schijt aan alles
Asserpark is altijd Ruijs’ uitvalsbasis gebleven. ‘Hier had ik mijn kantoor, mijn hokkie. Ik heb ook twintig jaar op Droevendaal gewerkt. Dat was echt een wereld van verschil. Ik kon er niet veel mee. Vrijgevochten, los van alles. Er werd gigantisch wiet geteeld en geblowd. Het was echt anarchistisch daar, ze hadden schijt aan alles, als ik het zo plat mag zeggen. Ik ben zuinig op mijn spullen, maar daar werd alles in de kortst mogelijke tijd afgebroken. Hier in Asserpark zat echt wel een ander slag mensen.’

Niet dat hij geen roerige jaren heeft gekend in de sterflat. Zo herinnert Ruijs zich een akkefietje met ‘de motorklanten van 8b’. ‘Die namen die oude, olielekkende dingen mee in de lift naar boven en dan gingen ze op hun kamers sleutelen. Soms zag het er blauw van de rook. Het was er een gigantische puinhoop, er werd ook niet schoongemaakt. Maar als ik ze erop aansprak kwam dat niet echt door.’ De discussie ontaardde in een kraakactie in 1978. ‘We hadden toen de pech dat er veel leegstand was. We hadden geloof ik wel honderd lege kamers in de flat. Die werden allemaal gekraakt met behulp van de bewoners van 8b. Een hele vervelende situatie. Toen ik op een gegeven moment persoonlijk bedreigd werd, heb ik tegen onze directeur gezegd: als jullie er niks aan doen, trek ik mijn handen ervan af.’

Traantje
Hij heeft ‘geen traantje gelaten’ toen hij met pensioen ging, zegt Ruijs: ‘Daar ben ik te realistisch voor, op een gegeven moment moet je toch gaan. Maar ik vond het wel leuk om nog af en toe in te vallen voor zieke collega’s. Zo heb ik nog een tijdje op de Bornsesteeg gezeten. Dat is ook weer heel anders met al die internationale studenten. Ik vond dat super, dat je met allerlei soorten en maten studenten te maken kreeg. Wat die allemaal achterlaten als ze weer naar huis gaan, echt giga. Schoenen, potten, pannen, beddengoed, rijstkokers. Ik heb een mooie groene Chinese poncho in mijn fietstas die ik nog heel veel gebruik.’

De verhalen blijven komen. Bijvoorbeeld over de doodsangsten die Ruijs en zijn vrouw uitstonden op mooie zomerdagen. ‘Studenten spanden dan het spiraal van hun bed tussen het raam en de rand van het balkon en legden daar hun matras op om te zonnebaden. En niet alleen op de eerste verdieping, ook verder omhoog.’

Als ik vrijdagochtend aan het werk ging, brandde er in de flatkroeg nog licht
Martin Ruijs bij Asserpark in 2018
Martin Ruijs bij Asserpark in 2018

Net normale mensen
Ruijs kijkt nog eens rond in de opgeruimde kroeg. ‘Ik heb zelf ook nog achter de bar gestaan. Donderdagavond is kroegavond hè, en dan vroegen ze af en toe of ik niet een avondje wilde tappen. Dan was het altijd afgeladen vol, want dan hadden ze affiches opgehangen: De huisbaas tapt vanavond. Heel gezellig, maar je had er je handen vol aan. Om een uur of een zei ik dan: Jongens, gaan jullie maar lekker door, ik kap ermee. En als ik dan op vrijdagochtend weer aan het werk ging, zag ik nog steeds licht branden.’

In zijn veertig jaar als beheerder heeft Ruijs de studenten zien veranderen. ‘In de beginjaren waren er soms eeuwige studenten van 35 jaar of ouder, die werden door hun ouders gesponsord. Zij deden vooral leuke dingen en studeerden een beetje.’ Na de invoering van de bachelor- en masterfase veranderde dat. ‘Er lag veel meer druk op de studenten om snel klaar te zijn met de studie. Ze werden serieuzer, gingen meer tijd aan hun studie besteden en verdienden geld met bijbaantjes. Niet dat het allemaal brave Hendriken werden. Ze gingen steeds meer op normale mensen lijken.’

Tijdlijn:
1958 Opening studentencomplex Nobelweg
1969 Opening sterflat Asserpark
1969 Martin Ruijs wordt huismeester voor de SSH-Wageningen in complex de Nobelweg
1970 Opening sterflat Hoevestein
1972 Martin Ruijs wordt huismeester van Asserpark
1973 Opening sterflat Bornsesteeg
1977 Opening sterflat Dijkgraaf
1977 Opening Droevendaalsesteeg
1978 Opening sterflat Rijnsteeg
1988 Verbouwing Asserpark, komst Annie’s Kroeg
2006 Sloop Rijnsteeg
2009 Martin Ruijs gaat met pensioen
2012 Bouw Rijnveste op de plek van Rijnsteeg

‘Ontwrichting van de studentenmaatschappij’

In studentenkringen bestond in de jaren vijftig weerstand tegen de komst van de ‘massale studentenhuisvesting’. Vooral gezelligheidsverenigingen vreesden dat het verenigingsleven de nek zou worden omgedraaid als studenten woningen kregen met eigen keukens. De meeste studenten huurden toen nog een kamer bij een hospita en aten in de mensa van de vereniging. Al in 1955 keerde Ceres zich tegen de ‘kippenhokken’ die moesten verrijzen aan de Nobelweg. In een brief gestuurd naar de voorzitters van de universiteit voorspelden zij ‘een volkomen ontwrichting’ van de Wageningse studentenmaatschappij.

Waarom die stervorm?

De sterflats markeren door hun unieke vorm al jarenlang het silhouet van Wageningen. Er was gekozen voor deze vorm vanwege de voorkeur van de gemeente voor een slank gebouw. Daarnaast kon de aannemer dankzij de ‘stijve kern’ flink op bouwkosten en bouwtijd besparen. Het transport van personen, gas, water en elektriciteit vond immers allemaal in het hart van het gebouw plaats.

Re:acties 1

  • guestwhat

    lovely story


Re:ageer