Wetenschap - 21 november 1996

ID-DLO mist Utrechtse veterinairen bij fusieproces

ID-DLO mist Utrechtse veterinairen bij fusieproces

Als het aan directeur Wensing van het ID-DLO ligt, krijgt het Kenniscentrum Wageningen twee locaties. Zijn instituut in Lelystad beschikt over dusdanig goed geoutilleerde proefaccommodaties dat Wagenings onderzoek aan landbouwhuisdieren deels naar de polder kan verhuizen. Overigens kent het fusieproces tussen LUW en DLO voor het ID-DLO een extra complicatie. De Utrechtse veterinairen blijven buiten de fusie, terwijl de samenwerking met Utrecht voor het ID van wezenlijk belang is.


Het onderzoek op het DLO-Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid omvat de gehele dierlijke productieketen: van fokmateriaal tot en met kant-en-klaar-producten als voorgebakken kippenpoten en de smaak van houdbare melk. De dertien onderzoeksafdelingen richten zich op thema's als huisvesting en verzorging, preventie en bestrijding van dierziekten, fokkerij en voortplanting, voer en voeding, en de kwaliteit van dierlijke producten. Daarnaast bestaat sinds kort een afdeling Productie, die op basis van de onderzoeksresultaten van het instituut vaccins en testkits voor diagnostisch laboratoriumonderzoek ontwikkelt, die wereldwijd worden verkocht.

Een korte rondleiding door de ID-accommodaties in Lelystad toont aan dat het instituut beschikt over geavanceerde onderzoeksfaciliteiten: een operatiekamer, een experimentele slachterij, instrumenten om biggen vrij van ziektekiemen ter wereld te brengen en op te fokken en een sensorisch centrum voor smaaktests met vlees, melk en eieren. Ook beschikt het instituut over een voerfabriekje om proefvoeders samen te stellen en over diverse laboratoria. En dan natuurlijk de veestapel: 500 melkkoeien, 400 kalveren en pinken, 750 ooien en rammen met bijbehorende lammeren, een varkensstapel van bijna 2000 dieren, 2500 leghennen, 10.000 vleeskuikens en 500 fokkippen.

Adviezen

Tachtig miljoen gulden gaat er jaarlijks in het instituut om. De helft daarvan komt van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Verkochte producten, zoals testkits en vaccins, leveren ruim dertien miljoen gulden op, adviezen en analyses zijn goed voor bijna zes miljoen en door contractonderzoek komt zeventien miljoen beschikbaar. Partners bevinden zich in de farmaceutische, de mengvoeder- en de procestechnologische industrie. Ook verricht het instituut onderzoek voor fokkerijorganisaties, grootwinkelbedrijven, de Europese Unie en de FAO.

Het ID-DLO ontstond in januari 1994 uit een fusie tussen het Centraal diergeneeskundig instituut, het Instituut voor veevoedingsonderzoek, het Centrum voor onderzoek en voorlichting pluimveehouderij Het Spelderholt en het Instituut voor veeteeltkundig onderzoek (IVO-DLO). LNV financierde de vier instituten jaarlijks voor 75 procent. Inmiddels is de overheidsfinanciering voor het gefuseerde instituut teruggelopen tot 51 procent.

Die financiering van het ministerie bindt ons aan het uitvoeren van bepaalde programma's. LNV bepaalt op hoofdlijnen wat wij moeten doen", vertelt ID-directeur dr C.J.G. Wensing, tevens hoogleraar veterinaire anatomie en embryologie aan de Universiteit Utrecht.

Wensing weerlegt de kritiek dat het ministerie een belangrijke vinger in de pap heeft. Volgens ingewijden zouden in het verleden zelfs goedlopende onderzoeksprogramma's (lees: het transgene project met stier Herman) van de ene op de andere dag zijn stopgezet omdat het ministerie zijn bakens verzette. Wensing: Dat betrof een project van Gene Pharming, tegenwoordig Pharming, waar wij slechts enige diensten aan leverden. De toenmalige minister heeft dat project nooit stopgezet, maar onder strak toezicht geplaatst. Er zijn destijds harde afspraken gemaakt, waaronder wij verder mochten gaan. Dat is overigens niet verwonderlijk, want ook bij genetische modificatie van virussen en bacterien beoordeelt een commissie het onderzoek vooraf. Dat geldt ook voor werk aan de Landbouwuniversiteit."

Wensing vertelt dat het ID-DLO vooral veel genetisch werk aan virussen en bacterien verricht. Transgenese bij hogere dieren ligt een stuk moeilijker. In Nederland bevinden we ons wat dat betreft in een moeilijke situatie. Actiegroepen maken een hoop los, wat doorwerkt in de wensen van consumenten en de politieke besluitvorming. In Amerika en Engeland doen mensen veel minder moeilijk. De vraag is hoe het in Nederland afloopt. Mijn mening is dat transgenese van dieren toelaatbaar is zolang het een goed doel dient. Bij productieverhoging als doel zet ik een vraagteken. Maar als het gaat om onderzoek waarmee de menselijke gezondheid is gediend, zie ik veel minder problemen."

Wij zijn echter een instituut van het ministerie van Landbouw en kunnen niets doen dat tegen de politieke besluitvorming ingaat. We lichten het ministerie voor, maar zij moeten besluiten. Op zich is dat niet erg, zolang de vertraging die dat oplevert niet dusdanig groot wordt dat we de boot missen."

Octrooien

Om bij te blijven mag het ID-DLO vijftien procent van het geld van het ministerie reserveren voor de ontwikkeling van strategische expertise. Geld dat de managers van het instituut en de centrale DLO-organisaties nagenoeg vrijelijk kunnen besteden. Een deel daarvan zet het instituut in voor de productie van dierlijke vaccins uit planten. Wensing: Dat onderzoek staat in de kinderschoenen; er zijn enorm veel hobbels te overwinnen. Hoe krijg je de gewenste genetische informatie in planten en hoe win je uiteindelijk de extracten? Dat is enorm risicodragend onderzoek. Keer op keer is de kans groot dat een volgende stap niet langer rendabel is. Aan de andere kant levert het onderzoek dankzij octrooien geld op, als er uitkomt wat je verwacht."

Octrooien zijn van eminent belang voor vernieuwend onderzoek. Firma's willen alleen met onderzoeksinstituten in zee als het om exclusieve kennis gaat. Zonder die bescherming zouden bedrijven geen zin hebben om te investeren in kennis." Jaarlijks is het ID-DLO goed voor pakweg tien octrooi-aanvragen, met name op het gebied van ontwikkeling van diagnostica en vaccins.

Het ID-DLO heeft de naam dat het veel samenwerkt met Utrecht. Inderdaad betreft een groot deel van het werk de diergezondheid. Het jaarverslag 1995 telt 41 onderzoeksprojecten op dat terrein: onderzoek naar het ontstaan en voorkomen van dierziekten, het ontwikkelen van vaccins en diagnostische testen. Daarnaast worden entstoffen, sera en diagnostica vervaardigd die voor de farmaceutische industrie niet interessant genoeg zijn om in productie te nemen, maar die in het kader van het weren en bestrijden van dierziekten wel voorradig dienen te blijven.

Sommige ziekten waarvan dieren weinig schade lijden kunnen politiek belangrijk zijn, omdat ze de export belemmeren naar landen waar die ziekten niet voorkomen. Reden om te werken aan uitroeiingsprogramma's voor verschillende virusziekten bij varkens en runderen. Ook bacterieziekten als salmonella en campylobacter zijn natuurlijk politiek gevoelig, vanwege de volksgezondheid."

Maar ook het zootechnische onderzoek is een belangrijke poot van het instituut, betoogt Wensing. In 1995 werkten onderzoekers aan 23 onderzoeksprojecten, verdeeld over fokkerij, welzijn, diervoeding en productkwaliteit.

Onderzoekstarieven

Net zoals het onderzoek van het zuster-instituut ATO-DLO, onlangs in het WUB beschreven, kent het ID-onderzoek een sterke hierarchische sturing. Vooraf wordt een doel gesteld; uit nieuwsgierigheid zijpaden bewandelen is er niet bij. Vijfhonderd mensen werken in vaste dienst, tweehonderd op tijdelijk contract. Jonge mensen houden de zaak fris; doen ze het goed dan kunnen ze doorstromen naar een vaste baan.

De onderzoeksafdelingen moeten zoveel mogelijk zelf zorgen dat er voldoende contractresearch binnenkomt. Zo niet, dan volgt sanering van het onderzoeksbudget. Het is moeilijk om mensen die als gevolg van die krimp vrijkomen, elders in het instituut in te zetten. Bij de Landbouwuniversiteit speelt dat wellicht nog niet, maar die zal dat in de toekomst ook wel moeten doen. Hoewel de LUW het voordeel heeft dat haar onderwijstaak voor consolidatie zorgt."

Een probleem waar het ID-DLO mee kampt is dat de onderzoekstarieven van het DLO-instituut en de Landbouwuniversiteit nogal verschillen. Ingewijden spreken zelfs over een factor twee. Wensing: Wij berekenen alle kosten die we maken door in het tarief. Aangezien op de Landbouwuniversiteit de salariskosten hoger zijn dan hier, en andere kosten wellicht overeenkomen, concludeer ik dat de Landbouwuniversiteit dat niet doet. Wij voelen die te lage tarieven als valse concurrentie, maar lang zal het niet meer bestaan. Minister Ritzen heeft bevolen volledige kosten door te berekenen. Overheadkosten afwentelen kan niet langer. Bij verschillende universiteiten zie je nu de tarieven voor contractonderzoek snel oplopen."

Valse concurrentie of niet, inmiddels werkt het ID-DLO binnen Nederlandse Onderzoeksassociatie Dierlijke produktie en Diergezondheid (NOADD) en het Wageningen Institute of Animal Science (WIAS) al twee jaar samen met de Landbouwuniversiteit en onderzoekscholen van de veterinaire faculteit van de Universiteit Utrecht. Binnenkort worden hier de eerste aio's aangesteld. Onderzoeksdirecteuren komen eens in de zes weken bij elkaar om de onderzoeksprogramma's met betrekking tot landbouwhuisdieren op elkaar af te stemmen. Op de werkvloer zijn platforms opgericht op het gebied van voortplanting, integrale ziektevrijwaring, fokkerij en genetica, en epidemiologie. Groepen onderzoekers van de drie instituten bespreken hun onderzoek, doen aio-voorstellen en houden postersessies.

Wereldje

Het feit dat samenwerkingspartner Utrecht buiten de LUW/DLO-fusie valt, brengt voor het ID-DLO problemen met zich mee. Wensing: Als mensen beweren dat Utrecht voor ons belangrijker is dan Wageningen, dan is dat niet waar. Wel is de relatie met Utrecht heel kostbaar. Utrecht heeft diergeneeskundig klinisch onderzoek in huis waar we wel dringend behoefte aan hebben. Ook het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek op het gebied van de infectieziekten in Utrecht is zeer belangrijk voor ons. Probleem blijft dat de veterinaire faculteit van Utrecht onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen valt en daarmee in een ander wereldje thuishoort dan LUW en DLO, die beide onder het ministerie van Landbouw vallen. Die zijn daardoor relatief gemakkelijk structureel in elkaar te schuiven. Met Utrecht komen we waarschijnlijk niet verder dan het maken van afspraken in goed overleg."

LUW en DLO moeten wat Wensing betreft volledig in elkaar schuiven tot een organisatie, omdat alleen dan echte keuzes te maken zijn. Uiteindelijk kent het Kenniscentrum Wageningen volgens de ID-directeur twee locaties. De dierlijke poot van het centrum is dan geconcentreerd in Lelystad. Daar bevinden zich reeds het Proefstation voor de Rundveehouderij en het ID-DLO. Het lijkt erop dat het proefstationachtige werk in Lelystad wordt geconcentreerd. En dat is goed. Dat geldt ook voor het Proefstation voor de Varkenshouderij in Rosmalen, dat door uitbreidingsplannen van de gemeente Den Bosch wordt verdreven."

Wensing wil niet stellen dat de proefaccommodaties in Wageningen kunnen verdwijnen. Wel vindt hij het op bedrijfseconomische gronden voor de hand liggen dat onderzoek in Lelystad plaatsvindt, zolang de capaciteit daar niet voor honderd procent wordt benut. Het onderwijs aan studenten in de eerste drie jaar blijft zeker in Wageningen. Als LUW en DLO opgaan in een organisatie, kunnen we het werk na die eerste drie jaar verplaatsen naar Lelystad. Om je te profileren moet je je echter ook in het Wageningse zo goed mogelijk laten zien. Ook daar blijven accommodaties noodzakelijk."

Re:ageer