Wetenschap - 29 maart 2010

Humanitaire hulpverleners volgen westerse regeringen

Internationale hulporganisaties hebben selectief noodhulp geboden aan de bevolking tijdens de burgeroorlog in Angola, tussen 1995 en 2005. Niet de noden van de bevolking, maar politieke afwegingen van westerse regeringen bepaalden de inzet van de hulporganisaties.

Dat concluderen Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw, en haar promovendus Maliana Serrano in het aprilnummer van het vakblad Disasters.
Na de onafhankelijkheid van Angola in 1975 ontwikkelde zich een steeds gruwelijker burgeroorlog tussen het socialistische MPLA en het door het Westen gesteunde Unita. Die eindigde pas in 2002 met een vredesverdrag en verkiezingen. Op het hoogtepunt van de oorlog waren vier van de twaalf miljoen Angolezen op de vlucht.
Tot 1990 waren er geen westerse hulporganisaties aanwezig in Angola, hoewel er al veel ontheemden en voedseltekorten waren. Maar tijdens een twee jaar durend bestand kwam de internationale gemeenschap met noodhulpfondsen en vestigden de hulporganisaties zich in Angola. Na de vrede en verkiezingen in 2005 vertrokken ze weer even snel als ze kwamen, nadat de nieuwe regering economische hervormingen van het IMF had afgewezen en van corruptie werd beticht door westerse donoren..

Denkraam
Het is opvallend, zeggen Serrano en Hilhorst, dat de hulporganisaties precies hetzelfde denkraam gebruikten als de westerse regeringen. Bij komst en vertrek van de noodhulp speelden de noden van de bevolking een ondergeschikte rol. Zo vertrokken Europese hulporganisaties spoedig na het vertrek van ECHO, het humanitaire bureau van de Europese Commissie, waardoor er geen wederopbouwprogramma’s kwamen.    
In de eerste fase van de burgeroorlog waren het vooral Cubaanse hulpverleners die de voedselvoorziening en gezondheidszorg op de been probeerden te houden. Verder speelden lokale afdelingen van het Rode Kruis, kerkelijke organisaties en geprivatiseerde landbouwvoorlichters als eerstelijnshulpverleners een belangrijke rol. Deze nationale hulpverleners waren jarenlang actief en hoewel ze onvermijdelijk in politieke kwesties werden betrokken, wisten daarbij hun neutraliteit te behouden, aldus Serrano en Hilhorst. Ze slaagden er na de vrede wel in om ontwikkelingsfondsen aan te trekken van de regering en private sector.

Exclusief
Het bieden van veiligheid, gezondheidszorg, scholing en voedsel in crisissituaties is in veler ogen het exclusieve domein van internationale humanitaire hulporganisaties, schrijven de onderzoekers. In de praktijk is de hulpverlening een stuk complexer en spelen lokale organisaties een belangrijke rol, omdat ze voortdurend hulp bieden. De internationale gemeenschap gaat er vaak van uit dat lokale hulp nooit neutraal kan zijn. Hilhorst en Serrano nuanceren dit beeld aanzienlijk.
Het snelle vertrek van de internationale hulporganisaties en het feit dat de noodhulp niet was gekoppeld aan ontwikkelingsdoelen, maakten dat de Angolezen aan hun lot werden overgelaten na de burgeroorlog, stellen de onderzoekers. Om die reden is het niet verrassend dat China op dit moment de belangrijkste investeerder en ontwikkelaar is in Angola.

Re:ageer