Wetenschap - 1 januari 1970

Hulpverlener niet meer onpartijdig

Rampenstudies onderzoekt effecten van gedragscode voor hulporganisaties.

In recente oorlogen is het onderscheid tussen hulpverleners en soldaten vervaagt. Hulpverleners in Afghanistan en Irak verloren hun onpartijdigheid en zijn daardoor hun leven niet meer zeker. Een gedragscode moet uitkomst bieden. De leerstoelgroep Rampenstudies onderzocht het effect daarvan.

Het was altijd zo duidelijk: humanitaire hulpverleners zijn nobele mensen die hulp geven aan slachtoffers van rampen en oorlogen, zonder politieke of religieuze belangen en louter uit compassie met het lijden van slachtoffers. Onpartijdigheid was en is voorwaarde voor hun werk. En dat is vastgelegd in de conventie van Genève, het verdrag over nette oorlogvoering. Daarin staat dat onpartijdige hulpverleners van strijdende partijen toegang moeten krijgen tot hulpbehoevenden.

Maar de laatste jaren komt dat humanitaire ideaal steeds vaker in het geding, zegt dr Thea Hilhorst, onderzoeker bij de leerstoel Rampenstudies. Westerse militaire interventie is vaak nog maar moeizaam te onderscheiden van humanitaire hulp en die verliest daarmee haar onpartijdigheid. Hilhorst: ‘Dat begon in 1999 in Kosovo, waar de Navo bommen gooide uit naam van humanitaire overwegingen. En het kreeg een vervolg in Afghanistan en Irak, waar westerse troepen binnenvielen om dictaturen te verdrijven, op te komen voor mensenrechten en democratie te herstellen.’

Los van de vraag of dat gelukt is, heeft het geleid tot verwarring onder humanitaire hulpverleners. Want westers militair ingrijpen legitimeert zich ineens met dezelfde argumenten als de hulpverleners. Bovendien zet het leger humanitaire hulp in als middel om ‘the hearts and minds’ van de bevolking te winnen, zoals in Irak gebeurt. Hilhorst: ‘Door de gelijke cultuur van soldaten en hulpverleners ziet de lokale bevolking het verschil niet meer. Voor hen zijn beiden blanke Amerikanen.’

Daar komt bij dat andere strijdende partijen, legers van rebellen of terroristen, zich überhaupt niets aantrekken van de Geneefse conventie. Zij zien de hulpverleners als vijanden en hebben bovendien niet de neiging de bevolking te helpen of te beschermen, want daar hebben ze helemaal geen band mee. En hoe veilig zijn hulpverleners nog als ze aangezien worden voor soldaten? Het aantal hulpverleners dat neergeschoten wordt neemt toe, is de overtuiging van veel hulporganisaties.

Hilhorst: ‘Hulpverleners van Cordaid in Afghanistan ontdeden hun kleding en auto’s van logo’s en verkleedden zich als arme boeren om minder risico te lopen. Medewerkers van Artsen Zonder Grenzen in Afghanistan werden vermoord en de organisatie trok zich daarom terug uit het land.’

Een ander probleem zit in de organisatie van hulpinstanties zelf. Ook zij hebben loonlijsten   en moeten blijven draaien, ook als de omstandigheden niet optimaal zijn, legt Hilhorst uit. Dus gaat een organisatie vaak toch maar hulp geven in Irak als donoren alleen geld willen geven voor hulp in Irak, ook al is de nood in Congo eigenlijk groter. En als dat onder de Amerikaanse vlag van een gewapende escorte moet, dan moet dat maar. Schrijnender voorbeelden geeft Hilhorst uit Kosovo, waar 130 hulporganisaties aan het werk waren in een kleine provincie. Nood was er allang niet meer, toch werd een school tot vier keer toe overgeverfd, want er was tenslotte geld om dat te doen. Al was het maar om de organisatie te laten voortbestaan om de volgende keer wel iets zinvols te kunnen doen.

Hoe moeten hulpverleners omgaan met dit soort duivelse dilemma’s? Al in 1994 stelde het Rode Kruis met een aantal andere hulporganisaties daarover een gedragscode op die bijna driehonderd organisaties tekenden. Daarmee beloven ze plechtig dat het humanitaire doel op de eerste plaats komt en hulp, onafhankelijk van politiek en religie, daar wordt gegeven waar die het meest nodig is en geen instrument van buitenlands beleid mag zijn. Maar wat is de waarde van dat stuk papier? Die vraag staat centraal op een conferentie die Rampenstudies op 20 september organiseert, samen met een aantal hulporganisaties. Het is ook het thema van het vak van de leerstoel Rampenstudies over humanitaire hulp dat deze periode wordt gegeven.

Voor de conferentie onderzocht Hilhorst hoe hulporganisaties zelf aankijken tegen de code. Meer dan honderd organisaties zeiden de code waardevol te vinden, al moeten organisaties elkaar er wel op kunnen aanspreken. En de organisaties willen met de code een signaal geven aan donoren, die teveel politieke belangen laten meewegen in hun giften. Een ander winstpunt van de code is dat hulpverleners een wapen in handen hebben tegen hun eigen marketeers. In de code staat namelijk dat hulpbehoevenden niet als zielige slachtoffers afgeschilderd mogen worden, wat in de fondswerving wel vaak gebeurt om meer donaties los te krijgen. En als een organisatie alleen het mediagenieke werk voor de camera doet, dan kan een ander daar iets van zeggen.

De grote vrijblijvendheid is een manco, erkent Hilhorst. Daarom wil ze tijdens de conferentie   een paar minimale eisen op de agenda zetten voor de ondertekenaars. Bijvoorbeeld dat elke ondertekenaar dat ook duidelijk maakt op haar website. En een klachtenprocedure instelt voor de doelgroep. Om het goede voorbeeld te geven heeft de leerstoelgroep zelf ook een code opgesteld over gedrag in oorlogsgebieden. Studenten moeten die ondertekenen voordat ze op stage gaan naar gevaarlijke gebieden.

Joris Tielens

Re:ageer