Wetenschap - 1 januari 1970

Hulp universiteit nadelig voor startend bedrijf

Onderzoekers zien voor hun wetenschappelijke vinding soms een gat in de markt en beginnen een bedrijf. Universiteiten, ook Wageningen UR, ondersteunen deze spin-offs. Maar het bieden van financiering en accommodatie aan deze starters werkt averechts op de groei ervan, blijkt uit promotieonderzoek van bedrijfskundige Victor Scholten. Coaching stimuleert de groei wel.

‘Financiering en accommodatie van starters door universiteiten zijn geen voorwaarden voor groei van starters’, zegt drs. Victor Scholten. Hij deed onderzoek onder 81 spin-offs op het gebied van life sciences, ICT en consultancy die tussen 1996 en 2003 gestart zijn rond Nederlandse universiteiten. Het zijn bedrijfjes die bijvoorbeeld diagnostische tests ontwikkelen, internettoepassingen maken of adviseren over bodemsanering. Uit het onderzoek van Scholten blijkt dat starters die financiering en accommodatie kregen van universiteiten of de overheid gemiddeld minder groeiden dan starters die geld uit de markt haalden en eigen huisvesting hadden.
Scholten: ‘Starters moeten contacten leggen die een brug slaan tussen hun academisch netwerk en een netwerk in het bedrijfsleven. Dichtbij de universiteit blijven levert die contacten niet op. Bovendien leveren veel starters aan andere bedrijven en niet direct aan consumenten. Wanneer de starter te dicht bij een universiteit blijft staan, is dat voor partners in de markt geen teken van succes.’
Geld van een universiteit of overheidssubsidie was in de periode dat Scholten onderzoek deed eigenlijk te makkelijk te krijgen. Investeerders kijken kritischer naar het ondernemingsplan dat daardoor ook beter doordacht moet zijn. ‘In feite zijn het de zwakkere bedrijven die gebruik maken van subsidies. Sterke starters halen financiering uit de markt.’

Makelaar
Nog een opmerkelijk onderzoeksresultaat is dat het hebben van een octrooi, door velen gezien als een garantie voor groei, nadelen blijkt te hebben. ‘Een octrooi verwerven is een kostbare zaak. Wetenschappers die een bedrijf opstarten maken zich erg druk over de rechten die ze van de universiteit willen hebben, in plaats van eerst te kijken naar de mogelijkheden. Een octrooi is niet per definitie slecht, maar het houdt de slag naar de markt tegen’, vindt Scholten. Het bedrijf gaat dan namelijk de toepassing van het octrooi produceren, in plaats van wat de klant wil.
Een starter moet risico nemen, nieuwe dingen willen proberen, en snel af kunnen stappen van plannen die niet werken, aldus Scholten. Ervaring met het starten van een bedrijf draagt daarom bij aan groei, managementervaring niet. Scholten: ‘Managers met bijvoorbeeld ervaring bij een kennisinstelling zijn geneigd het werk vast te leggen in procedures, routines en regels. Ze gaan eerst alles regelen en dan praten met de klant. Vooral bij jonge starters werkt dat averechts.’
De belangrijkste factor die van een starter wél een snelle groeier maakt is het contact met een bedrijf dat een product kan vermarkten. Als de starter de enige verbinding is tussen het product en het bedrijf levert dat een concurrentiepositie op van waaruit kennis verhandeld kan worden. ‘Zo’n makelaarspositie is een tijdelijke positie. Anderen zullen ook in het gat springen. Het blijft voor de starter belangrijk flexibel te zijn’, zegt Scholten. Op dit punt kunnen de moederorganisatie en de overheid wel bijdragen aan groei van starters. Die diensten zijn in de markt vaak te duur voor starters. Scholten: ‘Het helpen bij het leggen van contacten is nuttig. Bijvoorbeeld door businesscafés te organiseren en advies te geven. Ook het aanbieden van coaching aan starters en het geven van juridisch advies draagt bij aan groei.’
Rondom Wageningen UR zijn veel mensen bezig met het stimuleren van spin-offs. Mogelijk zelfs meer mensen dan er startende ondernemers zijn. Zo is er vanuit Food Valley een projectgroep Food Valley Consortium, die onlangs 2 miljoen euro subsidie kreeg van het ministerie van Economische Zaken om jonge starters in de agrifood en life sciences te helpen. Dit project ondersteunt de komende vier jaar ongeveer vijftig ‘businessideeën’ per jaar. Door coaching, nuttig volgens Scholten, maar ook door financiering, het aanbieden van huisvesting en het helpen met het verkrijgen van een octrooi, waar volgens Scholten nadelen aan zitten. Wageningen UR heeft ook een eigen Business Generator (WBG) die starters ondersteunt en die partner is in het Food Valley Consortium. Scholten denkt dat de WBG de laatste tijd al veranderingen ten goede heeft doorgevoerd. Door bij financiering ook externe adviseurs te laten oordelen, en meer nadruk te leggen op coaching, advies en cursussen.

Overleven
Prof. Wim Jongen, directeur van WBG, bevestigt dat coaching en de ontwikkeling van het netwerk van de starter belangrijk zijn. ‘Maar de startsubsidies voor bedrijven zijn geen weggegooid geld. We geven vanuit BG overigens geen subsidies, maar begeleiden starters in het voortraject waarin kansen verkend worden en externe investeerders gezocht worden. Na de oprichting van een BV moet de markt het zelf doen.’ En het gaat in het onderzoek van Scholten over snelle groei, terwijl overleven ook al een doel op zich is voor veel starters, zegt Jongen. ‘Het is waar dat octrooien en patenten een bedrijf vastleggen. Maar zeker in de life sciences is een patent een voorwaarde is om financiering van een investeerder te krijgen.’
In het Food Valley Consortium, zegt Jongen, wordt van geval tot geval gekeken naar de behoeften van de starter. ‘Het traject van idee tot BV verschilt heel erg. Soms ligt de nadruk op coaching, soms op het verwerven van een patent. Generaliseren helpt hier niet.’ Huisvesting van starters vindt Jongen een lastig punt. ‘Het is inderdaad een bottleneck als starters te lang in de setting van een onderzoeksinstelling blijven. Maar als ze direct zelf huisvesting moeten hebben, levert dat wel een totaal ander kostenplaatje op. In de allereerste fase moet een starter zich richten op zijn eigenlijke werk, namelijk kennisontwikkeling.’

Joris Tielens

Victor Scholten promoveert op 6 februari bij prof. Onno Omta, hoogleraar Bedrijfskunde bij Wageningen Universiteit en prof. Tom Elfring, hoogleraar Strategisch Management bij de Vrije Universiteit Amsterdam.

Re:ageer