Wetenschap - 1 januari 1970

Hoort de dood in het bos?

Moet je een verzwakt edelhert in de Oostvaardersplassen afschieten om onnodig lang lijden te voorkomen? Of laat je het dier rustig een natuurlijke dood sterven? Over deze vraag woedt al decennia een emotionele discussie in Nederland. Tijdens het Nationale Bosdebat in Alterra bleek dat de patstelling voortduurt.

Dat de discussie tussen voor- en tegenstanders van stervende en dode dieren in de natuur nog steeds leeft, bleek uit het feit dat de zaal in Alterra op woensdag 7 juni, ondanks het mooie weer, bomvol zat met beheerders, wetenschappers en studenten. Het Nationale Bosdebat van de Koninklijke Nederlandse Bosbouw Vereniging had als trekkende titel 'De dood in het bos', en de discussie verliep nogal emotioneel.
Beheerders moeten zo min mogelijk ingrijpen in de natuur, stellen voorstanders. Zo sterven de zwakke dieren en krijg je een ecologisch evenwicht. Dieren die onnodig lijden kunnen eventueel afgeschoten worden. Dergelijk beleid is succesvol, stellen de voorstanders. Kijk naar de zeer zeldzame zeearend. Dat die nu broedt in de Oostvaardersplassen is te danken aan de kadavers die Staatsbosbeheer daar laat liggen. En er zijn in datzelfde gebied tien nieuwe keversoorten gevonden, waaronder de in Nederland uitgestorven zwarte aaskever.
Maar hoe natuurlijk is de hongerdood voor dieren in een omheind gebied als de Oostvaardersplassen? Critici vinden dat de dieren die na hun dood de zeearend en de kevers voeden tijdens de laatste periode van hun leven te veel en te lang lijden. Bas Worm van de Vereniging tot het behoud van het Veluws hert: 'Bij uitgezette dieren heb je meer verantwoordelijkheid. Niets doen is onverantwoordelijk.'

Klein ecosysteem
Dat kadavers een belangrijke rol spelen in het ecosysteem, daar was iedereen het wel over eens. 'Een kadaver is een klein ecosysteem op zichzelf', stelde Ivonne Teurlings van de leerstoelgroep Resource Ecology. Ze doet onderzoek naar de afbraak van kadavers, en liet video's zien waarop vossen, raven, wilde zwijnen, muizen, dassen en boommarters van kadavers peuzelden.
Insecten, vogels en zoogdieren werken samen bij het opeten van kadavers, liet Teurlings zien. Een kadaver wordt relatief snel gevonden door kleinere aaseters, zoals muizen. Na zo'n vijf dagen koloniseren kevers, vliegen en spinnen het kadaver. De geur die het dode dier afgeeft, trekt dan de grotere aaseters aan, zoals vossen, raven, boommarters en wilde zwijnen. Als al het vlees verdwenen is volgen bacteriën en schimmels. Die zorgen dat de restanten omgezet worden in mineralen.
Wat kun je daar nu tegen hebben, zo'n prachtige samenwerking die zorgt dat de dieren die in de natuur leven na hun dood weer nieuw leven blazen in die natuur? Dat was de logische vraag na de presentatie van Teurlings. Problemen met de diergezondheid zijn in ieder geval niet het probleem, stelde Joost Snoep van de GD. Bij een goede monitoring van grote grazers op dierziekten - en die is er al - is het risico op een uitbraak van bijvoorbeeld varkenspest, rundertbc of mkz miniem volgens de diergezondheidsambtenaar.
Dan blijft dus over het onnodige lijden waar Worm over spreekt. Maar wanneer lijdt een dier onnodig? De voor- en tegenstanders kwamen daar niet uit. 'We monitoren de achterkant van het proces', stelde beheerder Jan Griekspoor van de Oostvaardersplassen. 'In de winter kun je zien welke dieren zwak zijn.' Rob van Baarle van de Vereniging tot behoud van het Veluws hert riposteerde: 'Staatsbosbeheer schiet pas af als het dier niet meer goed is. Maar hoe lang heeft het dier dan al geleden?'

Angst en walging
Een patstelling, dus, maar wat moet je als beheerder? 'Je blijft ingrijpen', stelde adviseur Rob Borst van IPC Groene Ruimte. 'En we blijven hangen in een discussie die nooit helemaal wordt uitgediscussieerd. Waar willen we naartoe?'
De enige die daarop min of meer een antwoord gaf, was filosoof prof. Michiel Korthals van de leerstoelgroep Toegepaste Filosofie. Volgens hem bepalen drie verschillende natuurbeelden de discussie. 'Mensen met een functioneel of een arcadisch natuurbeeld gaan uit van de dierethiek en willen gedomesticeerde natuur. Degenen die natuur zien als wildernis gaan uit van een natuurethiek en vinden dieren ondergeschikt aan ecologische processen.'
Dat botst dus, als het gaat om de dood in het bos. Korthals pleit voor compromissen. 'Voor alle natuur heb je zorgplicht, maar die is afhankelijk van de context', stelde hij. 'Als je een dood dier in het bos ziet, betrek je dat direct op jezelf. Daarom krijgen we emoties als angst, walging, medelijden en respect. De dood in de natuur heeft dus een gevoelswaarde, en is niet alleen beredeneerbaar. Daarom moet je duidelijk aangeven dat je in de wilde natuur dood tegenkomt.'
Volgens Korthals worden de dode dieren in het bos doodgezwegen door natuurorganisaties. 'In de blaadjes zie je alleen maar artikelen over de wonderen van de natuur. Dat moet veranderen. Plaats een bord bij de Oostvaardersplassen: hier kom je uiteengereten kadavers tegen. Er is een verschil van mening over de dood, en daar moet je rekening mee houden. Die verschillen moet je respecteren.'
Maar Korthals' woorden maakten weinig indruk. 'Er is geen plaats voor ethiek', stelde grofwildecoloog dr. Geert Groot Bruinderink van Alterra. 'In ecosystemen worden geen ethische afwegingen gemaakt. Het beheer wordt gevolgd door ecologen en die mogen op afstand gevolgd worden door ethici. Als mensen zich met natuur gaan bezighouden, dan wordt het broddelwerk.'
Daarmee werd de ethicus Korthals geparkeerd. De discussie ging daarna vooral over de vraag hoe je onnodig lijden kan vaststellen. ‘In de Oostvaardersplassen werken ecologen onder suboptimale onderzoeksomstandigheden’, stelde Groot Bruinderink. ‘De huidige gegevens zijn wel geschikt om algemene uitspraken te doen.’ Maar niet om antwoord te geven op de prangende vraag wanneer je nu een dier uit zijn lijden haalt.

Martin Woestenburg

Re:ageer