Wetenschap - 5 oktober 1995

Hoogleraar Laane wil kleine koerswijziging voor Biochemie

Hoogleraar Laane wil kleine koerswijziging voor Biochemie

Levensmiddelenbiochemicus dr Colja Laane is terug op het oude nest. Als hoogleraar Biochemie treft hij een internationaal vermaarde vakgroep aan, door zijn voorganger dr Cees Veeger opgebouwd. Laane wil dat de fundamentele onderzoeksgroep iets meer aandacht gaat besteden aan toepassingen van het onderzoek. Biochemie kan veel betekenen voor de levensmiddelentechnologie, meent hij.


Zo'n tien jaar geleden demonstreerde de biochemicus op de vakgroep een horloge dat liep op suiker en enzymen. Een grapje, bedoeld om de praktisch toepassing van fundamenteel onderzoek aan te tonen. Het horloge kon een jaar lopen op een heel klein beetje suiker", herinnert de kersverse hoogleraar Biochemie zich nu. Maar helaas hield het enzym dat niet."

Laane is na een afwezigheid van een kleine tien jaar terug op de vakgroep waar hij promoveerde. Kort na zijn promotie verruilde hij zijn universitaire baan voor een carriere bij Unilever Research. Zijn leermeester en voorganger Cees Veeger zag de onderzoeker met lede ogen vertrekken. Niet dat Veeger iets tegen het bedrijfsleven heeft, maar de grote roerganger van de vakgroep prefereert fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en daarvoor moet je niet bij Unilever zijn.

Het bloed kroop waar het niet gaan kon en Laane besloot ruim een jaar geleden te solliciteren naar de baan van hoogleraar Biochemie bij de Landbouwuniversiteit. Bij de levensmiddelengigant had hij het geschopt tot directeur research en development van Quest, een Unileverdochter die ingredienten fabriceert voor de voedingsmiddelen van andere dochters. Terugkeer naar de universiteit is niet per definitie een logische carrierestap, dat weet ook Laane. Ik heb altijd iets met de universiteit gehad. Je bent hier veel meer eigen baas. Bij Unilever kreeg ik af en toe de kriebels van al die verschillende lagen met bazen en bovenbazen die meepraten."

Maar ook op de universiteit praten verschillende, af en toe diffuse bestuurslagen flink mee. Dat is waar. Je moet je afvragen in hoeverre je hier nog eigen baas bent. Maar ik heb altijd een hang gehad naar fundamentele research. En in het bedrijfsleven is de logische carrierelijn toch meer richting management. Hoe hoger, hoe breder en hoe minder verdieping. Ik wil graag een duidelijke onderzoekslijn vasthouden, verbreden en verdiepen. Ach, het is een beetje een gok natuurlijk, maar al die bezuinigingen in het kwadraat en al die reorganisaties heb je in het bedrijfsleven ook. Maak je geen illusies."

Nieuwsgierigheid

Een van de zorgen, opgevangen in de wandelgangen van de universiteit, is dat Laane zijn achtergronden bij het bedrijfsleven niet zal verloochenen en de vakgroep richting toegepast onderzoek zal sturen. Vanuit mijn achtergrond wil ik een brug slaan tussen fundamenteel en toegepast onderzoek. Maar dat moet leiden tot additionele fondsen, additioneel! De spoeling wordt dun en dan kun je derde-geldstroomfondsen heel goed gebruiken. Bedenk dat financiering van de Europese Unie ook derde-geldstroom is. Ik weet dat Biochemie niet tot de toegepaste vakgroepen wil horen en daar ben ik het mee eens. De kennis die in dertig jaar is opgebouwd scoort internationaal heel hoog; Veeger heeft een hartstikke goeie groep achtergelaten, dat mag best eens gezegd worden."

Het werk van de vakgroep werd tot nu toe voornamelijk gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar volgens Laane is de expertise nu op een zodanig niveau dat er een extra poot onder het onderzoek kan worden geschroefd, een toepassingsgerichte poot. Hij benadrukt het herhaaldelijk: additioneel, maar wel uiterst belangrijk. Biochemie kan nu oogsten in de derde-geldstroom en moet dat dus niet nalaten. Overigens bespeurt Laane dat de vakgroep het belang van ruiken aan de industriele poot wel onderkent. Onderzoekers van de vakgroep participeerden al in projectaanvragen samen met Quest, de oude werkgever van de nieuwe prof.

Wasmiddelen

De vakgroep Biochemie specialiseert zich al dertig jaar in onderzoek aan zogenaamde redoxenzymen, die elektronen aan een atoom kunnen toevoegen of juist losslopen. Wordt het niet eens tijd voor iets totaal anders? Laane trekt een sigaret en begint enthousiast te doceren. Over het feit dat toen de vakgroep aan de redoxenzymen begon er en vrijwel niets over bekend was en er al helemaal geen zicht was op mogelijke toepassingen. Dat weliswaar inmiddels bekend is waar welke actieve centra in het enzym zitten, maar dat nog veel werk is te verrichten aan hoe de reactie precies verloopt. Waar pakt het enzym het te veranderen molecuul aan, welke elektronen sloopt het eraf en wat doet het daarmee? Een enzym is bovendien niet een tweedimensionaal rijtje symbolen, maar een complexe driedimensionale structuur met gaten, haken en ogen en actieve plekken. Als de fundamentele onderzoekers begrijpen waarom de structuur is zoals die is, en vooral hoe die complexe structuur tot stand komt, dan pas heeft
het zin om te denken aan het veranderen of zelfs ontwerpen van enzymen. Het heeft geen zin om random de bouwstenen van enzymen, de aminozuren, te veranderen, zonder dat je weet welke mechanismen belangrijk zijn."

De industrie gebruikt momenteel voornamelijk hydrolyserende enzymen, biologische katalysatoren die koolhydraten, vetten of eiwitten in stukjes hakken. In wasmiddelen maken ze korte metten met olie- en bloedvlekken; levensmiddelen kunnen ze lichter verteerbaar maken. Of juist onverteerbaar: er is een omvangrijke markt voor suikers die niet dik maken.

Voor elke grondstof is een apart enzym nodig. Het leuke van redoxenzymen is dat ze alle grondstoffen aankunnen. Bovendien blijkt de activiteit van de hydrolyserende enzymen moeilijk op te krikken, in tegenstelling tot de redoxenzymen die makkelijker hun effectiviteit laten opschroeven. Redoxenzymen zijn, verklaart Laane, belangrijk om moleculen plat te reduceren. Dat wil zeggen dat dubbele bindingen waarmee atomen binnen het molecuul aan elkaar zijn gesmeed worden opengebroken, waardoor andere atomen aan het molecuul kunnen hechten. Nu gebeurt dat meestal met behulp van nikkelkatalysatoren, maar met name de voedingsmiddelenindustrie heeft behoefte aan natuurlijke biologische katalysatoren.

Er is veel bekend over enzymen, dat wil Laane wel toegeven. Maar er is nog veel meer onbekend en wonderlijk. Je kunt haast geen metaal bedenken of de natuur heeft het wel ergens in een enzym ingebouwd. IJzer, molybdeen, mangaan, noem maar op. Alleen edelmetalen niet, maar die zijn te inert. Natuurlijk komt ijzer heel veel voor, want dat shuttelt makkelijk op en neer tussen drie plus en twee plus. Dat is natuurlijk ook een type enzym waar we graag mee werken."

Expertise

Volgens Laane behoort de Wageningse vakgroep Biochemie op haar eigen terrein tot de internationale top en dat wil hij zo houden. Slechts op een klein deel wil hij wat bijsturen. De vakgroep neemt nu deel aan twee onderzoekscholen, Experimentele plantwetenschappen en Milieuchemie en toxicologie. Maar niet aan Voeding, levensmiddelen- en agrotechnologie en gezondheid (Vlag). Dat steekt de levensmiddelenonderzoeker een beetje. Daar moeten we toch eens heel goed naar kijken." Niet dat de onderzoekslijn om moet; dat heeft geen zin, bezweert Laane nogmaals. 't Kost al gauw vijf jaar voordat je als groep goed bent ingewerkt in een nieuw onderwerp, als het tenminste in de buurt ligt van je eerdere expertise. En dan ben je zeker nog vijf jaar bezig om te gaan oogsten." Laane gelooft dan ook niet in om de vijf jaar van baan veranderen, zoals tal van managementgoeroes nu prediken. In ieder geval niet voor wetenschappelijk onderzoek.

Vijf jaar is een termijn die ook regelmatig terugkomt in discussies en beleidstukken over het onderwijs. Studenten moeten minder tijd aan de universiteit doorbrengen. Het instandhouden van de kennisstructuren heeft een meerwaarde voor de samenleving, daarvan ben ik overtuigd. Die bouw je af door de opleidingen en studies steeds korter te maken. Bovendien is de hoeveelheid kennis enorm toegenomen. Studenten moeten zich meer basiskennis eigen maken. Dat botst een beetje met de gedachte aan kortere studies."

Kopschuw

De nieuwe prof heeft er zin en heeft niet geleden onder de opvolgingsperikelen op zijn vakgroep. Daar had ik natuurlijk niets mee te maken. Ik weet dat er interne kandidaten waren, maar die kan ik recht in de ogen kijken. Het zijn uitstekende wetenschappers, dat staat buiten kijf."

Wat me wel van het hart moet is dat de universiteit eens goed zou moeten kijken naar de benoemingsprocedures. Volgens mij gaat dat over te veel schijven. Niemand kan een kandidaat vertrouwelijkheid garanderen en dat kan potentiele hoogleraren kopschuw maken. Als bijvoorbeeld in een vroeg stadium was uitgelekt dat ik kandidaat was, dan was ik weg geweest. Per slot van rekening wist mijn werkgever van niks. Die heb ik als een haas moeten inlichten toen het Wagenings Universiteitsblad het raadsbesluit publiceerde. Zelfs in dat stadium was het nog best vervelend, omdat alle gesprekken over de job offer nog moesten plaatsvinden."

Re:ageer