Organisatie - 6 september 2007

‘Hogeschool mist bezieling’

Marien de Bakker, tot voor kort hoofd van de afdeling Ruimte en bodem bij Van Hall Larenstein, heeft de hogeschool vorige maand verruild voor het bedrijfsleven. De GIS-expert vertrekt uit onvrede met de toegenomen bureaucratie en het gebrek aan praktijkgericht onderwijs. ‘Het geld dat we voor onderwijsvernieuwing hadden kunnen gebruiken, hebben we in een duur gebouw in Leeuwarden gestopt.’

79_achtergrond0.jpg
‘Als je het hbo dicht bij de praktijk wilt te brengen, dan moet je dat niet alleen willen, maar ook organiseren. Ik zie dat onvoldoende gebeuren bij VHL. Sterker, de toegenomen bureaucratie binnen de hogeschool bemoeilijkt de contacten met het werkveld. Die constatering heeft mede geleid tot mijn besluit om op te stappen’, zegt De Bakker. De GIS-expert was tot 1 augustus hoofd van Ruimte en bodem, het enige stukje van de noordelijke vestiging van Van Hall Larenstein dat bij de verhuizing naar Leeuwarden in 1989 achterbleef in Groningen. Na achttien jaar neemt hij afscheid van het onderwijs en treedt in dienst bij Aquagis in Zwolle. Het was niet moeilijk om een andere functie te vinden; het bedrijfsleven schreeuwt om GIS-deskundigen.
De paradox van De Bakkers overstap is dat de afdeling Ruimte en bodem die specialisten juist klaarstoomt voor het werkveld. Hij zou dus beter kunnen blijven zitten waar hij zit, zou je zeggen. En tot vorig jaar was De Bakker dat ook zeker van plan. Hij koesterde de hoop dat ‘zijn’ dependance een voortrekkersrol zou kunnen blijven vervullen in de uitwisseling van kennis tussen beroepsonderwijs en praktijk. Nu aan de uitzonderingspositie van de Groningse afdeling een einde lijkt te komen en Ruimte en bodem een deel van zijn onafhankelijkheid moet inleveren, gooit hij de handdoek in de ring.
‘Wat er in onderzoek plaatsvindt, moet vertaald worden naar de praktijk. Dat is de taak van het hoger beroepsonderwijs. En omgekeerd moet het hbo de vragen uit de markt neerleggen bij de wetenschap. Die kruispuntfunctie is de essentie van het hbo. Uit die wisselwerking ontstaan relevante cursussen. Daar heb je geen aparte mensen voor nodig, je moet de docent zelf projecten laten binnenhalen’, stelt De Bakker.

Kleine vakgroepen
Om het onderwijs op die manier in te richten, heb je volgens hem kleine, flexibele vakgroepen nodig die min of meer autonoom kunnen handelen en projectmatig kennis en vernieuwing kunnen binnenhalen. Teams van pakweg twaalf mensen, waarbinnen de docent zestig procent van zijn tijd aan klassiek onderwijs besteedt en in de resterende tijd vraag en aanbod uit de markt en de wetenschap bij elkaar brengt. ‘Geef die vakgroepen twee tot drie jaar de tijd. Maak vooraf afspraken over de te halen resultaten, en laat ze vrij in de organisatie. Geef ze de verantwoordelijkheid, en reken ze af op hun prestaties.’
Deze aanbevelingen werden met sympathie ontvangen bij de hogeschool, zegt De Bakker, maar daar bleef het bij. ‘De cultuur is te soft als het op afrekenen aankomt. Targets is een vies woord in het onderwijs. Bovendien ontbreekt het geld voor kleinschalig projectonderwijs, zegt het management. Zij zullen wel gelijk hebben. Het geld dat we voor onderwijsvernieuwing hadden kunnen gebruiken, hebben we in een duur gebouw in Leeuwarden gestopt.’
De Bakker voegt er aan toe nooit een tegenstander te zijn geweest van de fusies met achtereenvolgens hogeschool Larenstein en Wageningen UR. Maar hij vraagt zich wel af wat die, afgezien van het kostbare gebouw, het voormalige Van Hall Instituut hebben opgeleverd. ‘Wat zijn de grote lijnen tussen Velp, het noorden en Wageningen? Ik zou er geen antwoord op kunnen geven. Voor de fusie bood het informele circuit nog wel ruimte voor kruisbestuiving. Je plukte die en die docent weg, zette vijf studenten op een project en je ging aan de slag. In de huidige verantwoordingspraktijk gaat veel tijd verloren aan het definiëren van competenties, inhoud, toetsing en wat niet meer. Voordat je kunt beginnen, ben je maanden verder.’

Het tij mee
De Bakker beseft dat hij het tij mee heeft gehad in de jaren negentig. Niet alleen was er destijds meer financiële armslag, maar ook vakinhoudelijk stond Ruimte en bodem nog in de kinderschoenen. Vanuit de landbouw had het voormalige Van Hall Instituut het milieu ontdekt en vervolgens de relatie tussen landbouw en landschap gelegd. Bij zijn aanstelling in 1989 als docent kreeg De Bakker de opdracht een internationaal congres te organiseren. ‘Wij waren voorloper in Europa, het congres luidde de start in van de internationalisering van het onderwijs. Milieukunde was booming, we leidden meer studenten op dan de markt aankon. Achteraf heb ik wel me eens afgevraagd of we in die periode niet voorzichtiger hadden moeten zijn.’
In diezelfde jaren ontstonden de contouren van Ruimte en bodem. Als student Fysische geografie had De Bakker gastcolleges gevolgd van de man die GIS in Nederland heeft geïntroduceerd, de Engelse professor Peter Burrough. ‘Op mijn eerste Apple’tje heb ik vervolgens nog aan mijn eigen professor aan de VU laten zien wat je met GIS kon doen.’ Gaandeweg schoof De Bakkers oorspronkelijke vakgebied Milieumodellen steeds meer richting GIS-toepassingen.
Hoe de sterk op het beroepsveld georiënteerde onderwijsmethode van Ruimte en bodem uitpakt, illustreert de samenwerking met de provincie Noord-Holland, vertelt De Bakker. Samen met uitzendbureau Ecojob ontwikkelde Ruimte en bodem een onderwijsprogramma waarbij trainees beurtelings vier maanden bij provincie, gemeenten en adviesbureaus kennis opdeden en een dag in de week les kregen bij Van Hall. ‘Dat materiaal hebben we vervolgens weer gebruikt in de deeltijdopleiding Milieu. Op die manier gaat kennis stromen.’
Ruimte en bodem heeft volgens de scheidende coördinator in de loop van zijn bestaan een schat aan informatie verzameld door de innige samenwerking met de partners uit het beroepsveld. ‘In dit type onderwijs telt niet alleen de docent, maar tellen ook de data, de systemen en de software. Dankzij de nauwe banden met het ministerie van LNV hebben wij data binnengehaald die anders onbetaalbaar zouden zijn. Die contacten moeten onderhouden worden, anders ben ik bang dat ze verdwijnen.’
‘Ik heb hier mogelijkheden gehad die bij andere hbo’s niet denkbaar waren geweest, al is Ruimte en Bodem altijd meer gedoogd dan gesteund’, zegt De Bakker. ‘Toen ik hier binnenkwam sloot mijn leeftijd aan bij het gemiddelde van de overige docenten, nu ik na achttien jaar vertrek zit ik nog steeds in de gemiddelde leeftijdscategorie. Dat geeft toch te denken. Je hebt jonge honden nodig die vernieuwing brengen en met een kritische houding de gang van zaken weer eens tegen het licht houden.’

Verzuring
De energie die het management steekt in de financiën en het fusieproces komen de onderwijsvernieuwing en het personeelsbeleid niet ten goede, meent De Bakker somber. ‘Ik zie collega’s zich terugtrekken op hun eilandje. De wil is er wel, maar er voltrekt zich langzaam een proces van verzuring. De kracht van VHL zou moeten zijn dat het als een kleine hogeschool opereert. Zelfsturende teams kunnen die vernieuwing dragen, mits er duidelijke doelen worden gesteld. Targets maken zaken helder.’
‘Ga met de grote milieuadviesbureaus om de tafel zitten en buig je over de vraag hoe je nieuwe mensen binnenhaalt. Daar richting aan geven is de kerntaak van het hbo. Stel een vijftiger uit de praktijk als coach aan in je onderwijsunits, zodat je direct toegang tot diezelfde praktijk hebt.’ De markt hongert namelijk naar gekwalificeerde milieumensen, constateert De Bakker, maar de studenten ontbreken.
Teleurgesteld stelt De Bakker vast dat het elan op dit moment ontbreekt bij VHL. ‘En ik weiger lijdzaam toe te zien hoe Ruimte en bodem verder afbrokkelt.’ Bij zijn nieuwe werkgever ziet hij wel voldoende kansen om zijn werk voort te zetten. Het is zelfs niet ondenkbaar dat VHL-studenten in de toekomst bij het bedrijf Aquagis minors GIS kunnen volgen.

Re:ageer