Organisatie - 25 januari 2007

Hoe Grijns naast de Nobelprijs greep

Wageningen UR gaat zijn best doen om de komende tijd minstens één keer de Spinozapremie – ‘de Nederlandse Nobelprijs’ – binnen te halen. Een goed moment om op te rakelen hoe ‘onze’ dierfysioloog Gerrit Grijns (1865-1944) aan het begin van de vorige eeuw naast de échte Nobelprijs greep. Terwijl het wel degelijk Grijns was die het concept vitamine als eerste doorzag.

Gerrit Grijns, de miskende ontdekker van de vitamines.
Gerrit Grijns, de miskende ontdekker van de vitamines.

Foto: Historisch Archief FB

Het geldt als een voorbeeld van klein onrecht uit de wetenschapsgeschiedenis: de Nobelprijs die de Nederlander Christiaan Eijkman (1858-1930) vlak voor zijn dood ontvangt voor de ‘ontdekking van het vitaminegebrek’. Eijkman is inderdaad de eerste onderzoeker die aantoont dat de ziekte beriberi te maken heeft met het eten van machinaal gepelde rijst. Zijn conclusie is echter dat dit komt door een tegengif in rijstvliesjes dat een gif in voedsel onschadelijk maakt.
Het is zijn leerling Gerrit Grijns die stug volhoudt dat beriberi een ‘gebreksziekte’ is. In de vliesjes zit een kleine hoeveelheid stof die onmisbaar is voor een gezonde stofwisseling, aldus de wetenschapper. Grijns spreekt van ‘partiële honger’ en van een ‘protectieve stof’. Dat zijn publicatie uit 1901 over deze vinding in het Nederlands geschreven is, is er waarschijnlijk debet aan dat de Nobelprijs aan zijn neus voorbij gaat.
Uit de nominaties, die de Zweedse Nobelstichting minstens vijftig jaar geheimhoudt, blijkt dat Grijns wel twee keer is voorgedragen voor de prijs der prijzen. Steeds samen met Eijkman. Uiteindelijk kiezen de Zweden ervoor om Eijkman in 1927 de prijs te laten delen met de Britse biochemicus Gowland Hopkins.
De loopbaan van Grijns, een in Utrecht gepromoveerde arts, begint als hij in 1892 assistent wordt van Eijkman, de directeur van het Laboratorium voor Pathologische Anatomie en Bacteriologie in Weltevreden, een wijk van Batavia op Java. Het laboratorium houdt zich onder meer bezig met de ‘beriberi-kwestie’. Aan de mysterieuze ziekte overlijden grote aantallen soldaten, gevangenen en ‘inlandse werklieden’ in voormalig Nederlands-Indië. Het ziektebeeld is grillig: veel mensen sterven na een lange lijdensweg, met toenemende zwellingen en verlammingen. Soms treedt echter plotseling herstel op.
Het is Eijkman die ontdekt dat kippen vergelijkbare symptomen vertonen als ze gevoerd worden met de overgebleven rijst van patiënten uit het militaire hospitaal. Als de administrateur van het ziekenhuis besluit dat dit niet langer geoorloofd is, koopt Eijkman ongepelde rijst voor de kippen op de lokale markt. Tot zijn verrassing herstellen de kippen dan vlot. Hij kan eerst niet geloven dat beriberi eveneens in verband staat met voeding. Pas als hij ontdekt dat in Javaanse gevangenissen, waar uitsluitend machinaal gepelde rijst wordt geserveerd, de kans op beriberi ongekend hoog is, laat hij zich overtuigen.
Grijns zet de proeven van Eijkman voort als deze in 1896 naar Nederland terugkeert. In een aantal zeer doordachte voedingsproeven met kippen weet Grijns andere mogelijke ziekteveroorzakers stap voor stap uit te sluiten. Hij concludeert dat er in voeding van nature stoffen voorkomen ‘die zonder schade voor het zenuwstelsel niet kunnen gemist worden’. Van de onderzochte voedingsmiddelen was ‘afgewerkte rijst het armst aan deze stoffen’. Zijn bevindingen krijgen weinig erkenning. In 1911 introduceert de Poolse chemicus Funk de benaming vitaminen voor zulke ‘beschermende stoffen’. Pas in 1926 - Grijns is dan al vijf jaar hoogleraar Dierfysiologie in Wageningen - wordt de werkzame stof (vitamine B1) geïsoleerd en slaat de vitaminekoorts wereldwijd toe. Het levert Eijkman nog vlak voor zijn dood de Nobelprijs op. Aan Grijns herinnert als het goed is nog wel een plaquette. In Weltevreden.

Re:ageer