Organisatie - 21 februari 2008

Het vee, het klimaat en de waarheid

De Partij voor de Dieren baseert haar pleidooi voor vermindering van de vleesconsumptie deels op verdraaide feiten. Dat zegt de Wageningse alumnus Cees de Haan van de Wereldbank. Hij is medeauteur van het rapport dat de partij gebruikte voor haar film Meat the Truth, over het aandeel van de veehouderij in de klimaatverandering.

119_achtergrond0.jpg
Oud-Wageninger ir. Cees de Haan pakt uit zijn tas het bijna vierhonderd pagina’s tellende rapport Livestock’s Long Shadow. De Haan is medeauteur van het boekwerk, waar de Partij voor de Dieren een deel van haar argumentatie aan ontleent voor de antiveehouderijfilm Meat the Truth.
De studie gaat heus niet alleen over de broeikasgassen uit de veehouderij, zegt De Haan. En dan pakt hij een krantenknipsel. ‘Lees de laatste zin’, zegt hij terwijl hij het papier over tafel schuift. Het is een hoofdredactioneel commentaar uit de New York Times van 27 december 2006. De commentator schrijft: ‘As Livestock’s Long Shadow makes clear, our health and the health of the planet depend on pushing livestock production in more sustainable directions.’ ‘Het komt niet elke dag voor dat je op die manier de kolommen van de New York Times haalt’, glimlacht De Haan. ‘Zelfs niet elk jaar.’
In Livestock’s Long Shadow staat dat de veehouderij verantwoordelijk is voor achttien procent van de door mensen veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen die de opwarming van de aarde veroorzaken. ‘Dat is waar iedereen opgesprongen is’, constateert De Haan. ‘Maar het rapport gaat over méér: over biodiversiteit, water, bodemgebruik.’
Cees de Haan, afgestudeerd in de Tropische veeteelt aan de Landbouwuniversiteit in 1966, zat jarenlang bij de Wereldbank op een sleutelpositie. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van LEAD, een initiatief van de verschillende Europese donoren, de Wereldbank en de wereldvoedselorganisatie FAO, dat zich richt op veehouderij, milieu en ontwikkeling. ‘Dat is een beetje mijn baby’, zegt De Haan.
Momenteel werkt hij nog als consultant bij de Wereldbank. Ongeveer de helft van zijn tijd is hij thuis in de Gelderse Achterhoek, de rest van de tijd verblijft hij voor de bank in het buitenland. Een van zijn laatste projecten was het opzetten van een voedselveiligheidsprogramma in Vietnam.

Feiten verdraaid
De afgelopen jaren is de oud-Wageninger nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van rapportages over de impact van de veehouderij op milieu, klimaat en gezondheid, waaronder Livestock’s Long Shadow. Dit jongste rapport van LEAD stond de afgelopen maanden volop in de Nederlandse spotlights, omdat de Partij voor de Dieren het gebruikt om haar pleidooi tegen vlees eten kracht bij te zetten. ‘Maar daar zijn wel kanttekeningen bij te plaatsen’, zegt De Haan.
Het rapport is de resultante van een ontwikkeling die al eind jaren tachtig van de vorige eeuw op gang kwam. De groeiende wereldbevolking en de toenemende welvaart zorgden voor een grotere vraag naar vlees en melk. Aan de andere kant ontstond in de geïndustrialiseerde wereld een stroming tegen de veehouderij.
Gedwongen door actiegroepen buiten de Wereldbank en vegetariërs binnen de organisatie, moest De Haan zich steeds meer inspannen om de veehouderijprojecten die hij wilde opzetten goedgekeurd te krijgen. ‘Twintig jaar geleden was het: ‘Veeteelt is goed. Punt.’ Maar dat begon toen te veranderen.’
De tegenstanders richtten zich toen nog voornamelijk op dierenwelzijn en gezondheid. ‘Nu gebruikt Marianne Thieme in de film Meat the Truth het milieu als momentum, met als eindboodschap: eet minder vlees. Als je het niet doet om het milieu, doe het dan om het dierenwelzijn.’
Maar de argumentatie van Thieme rammelt, zegt De Haan. ‘Zij maakt gebruik van de feiten om haar eigen boodschap naar voren te brengen, en daarbij doet ze de waarheid soms geweld aan. Bijvoorbeeld als ze zegt dat je acht kilo graan nodig hebt om één kilo vlees te produceren. Dat geldt alleen voor de laatste kilo’s van de vleeskoeien in Amerika, en alleen een gedeelte van het voer bestaat uit granen of oliezaden die ook voor menselijke voeding gebruikt kunnen worden. Als je kijkt naar het hele leven van het dier en naar granen, dan is de verhouding veel kleiner, misschien wel drie kilo graan voor één kilo vlees. En als het gaat over het waterverbruik, gebruikt ze een gegeven uit de literatuur dat ervan uitgaat dat al het voer voor rundvleesproductie komt van geïrrigeerd land, hetgeen uiteraard niet waar is.’
Ook met de conclusie van Thieme - de consumptie van vlees moet omlaag - kan De Haan maar gedeeltelijk instemmen. ‘Voor de mensen in het geïndustrialiseerde Westen ben ik het daar mee eens. Maar je kunt niet verwachten dat mensen in China of in India geen vlees gaan eten, omdat we in het Westen te véél vlees eten. Wij zeggen: verbeter de wereld en begin bij jezelf. Al is vlees zeker belangrijk voor de inname van bepaalde mineralen zoals ijzer. Marianne Thieme zegt echter niet dat je moet streven naar een meer duurzame veehouderij. En dat is ónze boodschap.’

Afhankelijk van vee
De Haan vindt dat de publieke discussie over de veehouderij in Nederland te veel gericht is op het klimaatprobleem. Natuurlijk stoot het vee broeikasgassen uit, maar je kunt beredeneren dat die uitstoot in de intensieve veehouderij per dier minder is dan bij extensief gehouden dieren. ‘Per kilo vlees in de bio-industrie, komt er minder broeikasgas vrij dan bij een kleine boer in India. Dat komt omdat er minder ruwe celstof in het voer zit in de bio-industrie. En je kunt vanwege de uitstoot van broeikasgassen toch niet tegen een klein boertje zeggen dat hij moet ophouden? Zo’n 800 miljoen mensen in de wereld zijn afhankelijk van de veehouderij.’
‘Mijn motto is: intensiveer, maar concentreer niet’, zegt De Haan. De veehouderij moet efficiënter en intensiever vindt hij, maar tegelijk ook beter verspreid over het beschikbare areaal landbouwgrond. De Haan geeft het voorbeeld van een overheidsmaatregel in Thailand, waar rond Bangkok de pluimveedichtheid hand over hand toenam. Belasting op het houden van dieren binnen een straal van honderd kilometer van de stad zorgde ervoor dat de pluimvee-industrie zich verspreidde. ‘Er moet balans zijn tussen het areaal grond en het aantal dieren, want anders moet je mest gaan transporteren en dat is duur. Een deel van het mestprobleem in de bio-industrie is wel op te lossen, bijvoorbeeld door biogas te maken.’ Maar voor het fosfaat in de mest moet toch een andere bestemming worden gevonden, zegt hij.
Hij constateert met genoegen dat het idee voor een duurzame veehouderij nadrukkelijk heeft postgevat in Wageningen. ‘Wij zijn met onze boodschap niet zo populair, zeker niet bij de veehouderij. De American Cattle Association heeft ons rapport fel bestreden, maar ze hebben geen enkel cijfer onderuit kunnen halen. En nu kom ik in Wageningen vertegenwoordigers tegen van de European Association of Animal Producers, die mij vragen of ik mijn verhaal wil vertellen.’

Wageningse invloed
De Haan komt met plezier bij de universiteit, waar hij de basis legde voor zijn loopbaan. ‘Ik heb in Wageningen geleerd kritisch te zijn. Dat is belangrijk bij de Wereldbank. De meeste kritiek die we krijgen, komt vanuit de organisatie zelf.’
De rol van de Wageningse universiteit binnen de Wereldbank neemt af, constateert De Haan. ‘Wageningen heeft een goede naam en ook de expertise. Maar in de landbouwsfeer doen Britten en Fransen het beter. Nederlanders zijn duur en ze lijken niet meer geïnteresseerd in uitzending naar het buitenland voor langere tijd. Daar komt nog bij dat de Nederlandse regering weinig doet aan landbouwontwikkeling, en haar steun aan de veeteeltontwikkeling zelfs volledig heeft gestopt. Ik heb de indruk dat de Nederlanders op het gebied van water nog wel goed bijdragen, maar over het geheel genomen zie ik dat er in Washington minder Wageningers rondlopen dan vijftien of twintig jaar geleden. Ik heb regelmatig geprobeerd jonge Wageningers naar Washington te krijgen, maar kreeg steeds nul op het rekest. Ik ga het nu opnieuw proberen.’

Re:ageer