Organisatie - 9 november 2006

Het succes van ‘iets met dieren’

Vraag aan een willekeurige student Diermanagement naar het hoe en waarom van zijn of haar studiekeuze en in negen van de tien gevallen krijg je als antwoord: ‘Ik wilde iets met dieren.’ Van alle onderwijsrichtingen binnen Wageningen UR trekt de opleiding van hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden verreweg de meeste eerstejaars. Dit jaar weer 220. De onweerstaanbare aantrekkingskracht van ‘iets met dieren’.

2_achtergrond0.jpg
Wie denkt dat Diermanagement (DM) enkel een alibi biedt aan paardenmeisjes die nog even verder willen dromen, heeft het mis. ‘Paardenmeisjes maken een kleine tien procent uit van het studentenbestand’, zegt adjunct-directeur Jos Vaas van Van Hall Larenstein in Leeuwarden. ‘Maar dat zijn dan ook dames die precies weten wat zij willen: paard en management, punt. De rest kiest voor de overige vijf majors.’
Het onderdeel Wild Life spreekt bij zestig procent van de instromers het meest tot de verbeelding. Dat schept wel weer een luxeprobleem, volgens Vaas. ‘Afrikaanse safarireservaten zit natuurlijk niet te wachten op elke student die wij hier afleveren.’ DM voert dan ook een actief ontmoedigingsbeleid om de romantische verwachtingen wat te temperen. Kijk ook eens naar de voorlichtingskant of zoek het in natuurbeheer, raadt Vaas de studenten aan.
Het verplichte brede basispakket van de eerste twee jaar brengt een aantal Wild Lifers in spe gelukkig al gauw op andere gedachten. Zij kiezen vervolgens voor studierichtingen als Beleid en communicatie, Diergezondheidszorg, of Companion Animal Management. Zelfs het bij aanvang impopulaire Proefdierbeheer wint de nodige zieltjes. Vaas maakt zich dan ook niet al te veel zorgen over het toekomstperspectief van zijn studenten. ‘Wij leiden managers op. Met hun professionaliteit scheppen zij hun eigen banen. Een onderzoek onder de alumni in 2003 wijst uit dat maar vier procent zonder werk zit.’

Kinderboerderij
Vierdejaars Erik de Vries knikt grijnzend. Ja ook hij wilde ‘iets met dieren’. In zijn geval is dat ook niet zo gek - als negenjarig jongetje draaide hij al mee op de kinderboerderij. Hij hield er pas mee op toen hij in Leeuwarden ging studeren. ‘De grote schaal van de bio-industrie stond mij tegen. Wild Life paste helemaal in het straatje van een wat idealistische en naïeve jongen als ik.’
Erik ontdekte al snel dat zijn overtuiging wat bleek afstak bij die van sommige medestudenten. ‘Werken in een wildreservaat is natuurlijk de kers op de taart. Alleen bijzondere studenten die al in een vroeg stadium bereid zijn om hier alles achter te laten, schoppen het zo ver. Ik miste die drive.’ Eigenlijk liggen zijn interesses meer bij management en voorlichting, zoals Jos Vaas het graag ziet. Iets mét mensen, vóór dieren.
De eerst ideeën over een hbo-studie voor non-productiedieren ontsproten begin jaren negentig aan het brein van Marnix Rietberg. De docent van het toenmalige Van Haal Instituut onderkende als een van de eersten de groeiende behoefte in de huisdierenbranche aan een professionele benadering van verzorging, beheer en regelgeving. Daar moest met een kruisbestuiving tussen de studies Landbouw en Milieukunde - destijds nog in Groningen - wat aan te doen zijn, bedacht Rietberg. Een denktank van beide disciplines stelde een propedeuse samen die in het eerste jaar al 250 studenten trok, hoewel de vervolgopleiding nog ontwikkeld moest worden. Een gat in de onderwijskundige markt.
‘Diermanagement overbrugde de witte vlek tussen de paraveterinaire dierverzorging en de veterinaire studies’, zegt Jos Vaas. ‘De vraag uit de branche naar leidinggevenden en de drang bij potentiële studenten om van hun passie hun beroep te maken, viel samen. De naam Diermanagement sloeg daarbij in als een bom.’ Het viel Vaas in de beginjaren op dat de studie vooral Brabantse studenten trok. ‘De overgang op het zuidelijke platteland van de intensieve varkenshouderij naar andere bronnen van inkomsten zoals de paardenfokkerij speelde zeker een rol.’ Ook vanuit België mocht de unieke studievariant op warme belangstelling rekenen.
Vandaag de dag is de studentenstroom uit het zuiden opgedroogd; Brabantse hogescholen hebben intussen hun eigen opleidingen Diermanagement en ook in het Belgische Leuven is het succesnummer gekopieerd. Om de dip in de aanmeldingen op te vangen richt DM zich sinds een paar jaar met succes op de Duitse onderwijsmarkt.

Proefdieren
‘Hoe meer bloed, hoe beter’, lacht Kristina Simon, een van de vele Duitse studenten Diermanagement. ‘Daarom doe ik Proefdierbeheer, dan mag je ook snijden.’ Haar majorkeuze komt het dichtst in de buurt van opereren en dat is uiteindelijk wat ze het liefst zou willen. Diermanagement in Nederland studeren was dan ook haar tweede keus. Drie keer stootte Kristina zich aan de numerus fixus van de Duitse diergeneeskundefaculteiten. De cijferlijst van de gymnasiaste bleek elke keer net niet toereikend. Ze heeft de hoop op toelating echter nog niet laten varen; de universiteiten beweren straks ook plaats te willen bieden aan extra gemotiveerde studenten. Ze verwacht met het diploma Diermanagement een plekje te veroveren. ‘DM is een brede opleiding, je legt je niet meteen vast. In Duitsland bestaat zoiets niet. Of je wordt hoog opgeleid, of je gaat direct aan het werk en leert dierverzorging in de praktijk. Daar tussenin is niets.’
Om de studentenaanwas verder op peil te houden werft Diermanagement ook nadrukkelijk op het mbo. Het helpt dat inmiddels nogal wat oud-studenten voor de klas staan bij de aoc’s; van hun aanwezigheid gaat een wervende stimulans uit. Zij wijzen hun leerlingen er op dat ‘iets met dieren’ niet per se hoeft op te houden bij een verzorgend beroep. Voor mbo’ers heeft Diermanagement een verkort driejarig programma waarin de brede oriëntatiefase is samengebald in één jaar.
‘Dieren hebben iets magisch’, peinst Suzanne Seinen. ‘Dieren maken de wereld tastbaar voor een kind.’ Honden, katten, kippen, een paard, zolang de tweedejaars studente zich herinnert, heeft ze zich omringd met beesten. Tot verdriet van haar ouders, die er een hekel aan hadden, en haar allergische zusje. Als achtjarige bestookte ze de dierenarts met zoveel vragen dat hij vond dat ze maar mee moest op zijn rondes. Vanzelfsprekend wilde Suzanne ook dierenarts worden, ‘maar ik ben zo dyslectisch als een deur’.
Een bijbaantje in de dierenwinkel leidde naar de opleiding dierverzorging van het Groenhorst College in Barneveld. Eigenlijk zat ze zich daar te vervelen. Ze ging er nog een studie naast doen, bedoeld om met proefdieren te leren werken. Pas op stage bij een paraveterinair station in Colorado kon ze zich echt ontplooien. ‘Ik mocht daar van alles. Anatomie, bloedonderzoek, ging zelfstandig bij boeren langs. En er was een vrouw die de boel daar bestierde. Ik dacht: dat wil ik ook.’
Nu volgt Suzanne de major Beleid en communicatie en legt ze zich toe op preventie in de diergezondheidszorg. Haar liefde voor dieren heeft nog niets aan kracht ingeboet, maar ze kan zich inmiddels ook een beroep zonder voorstellen. Ze is straks toch geschoold manager? Ze kan alle kanten op.

Sterke motivatie
‘Iets met dieren klinkt misschien wel vaag, maar het staat voor een sterke intrinsieke motivatie’, weet Jos Vaas. De eerste ontnuchterende kennismaking met verplichte kost als statistiek, bedrijfskunde en een flink portie wiskunde is dan ook juist bedoeld om de beweegredenen verder aan te scherpen en de realiteitszin van studenten te vergroten. Na de propedeuse is de uitval van studenten daardoor volgens Vaas opvallend gering voor hbo-begrippen: nog geen vijf procent.
Dat er met de gedrevenheid van de overwegend vrouwelijke DM-studenten niet te spotten valt, ondervinden de nieuwbakken landbouwjongens van Van Hall Larenstein als zij zich schamper uitlaten over de softe non-productiesector. In de onvermijdelijke clash of cultures bijten de DM-meisjes flink van zich af met tirades over de bio-industrie. Diermanagement is volledig ingeburgerd op het instituut; dat de stoere boys er maar even kennis van willen nemen.

Re:ageer