Wetenschap - 1 januari 1970

Het nut van economische modellen

Het nut van economische modellen


‘Modellen kwantificeren problemen, dat is beter dan niet doen’

Landbouwminister Veerman maakt in zijn beleid gebruik van twee Wageningse
economische modellen over de gevolgen van de hervorming van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU voor de inkomens van boeren.
Modellen die verschillende uitkomsten geven. Hoe zitten die modellen in
elkaar en moeten ze wel zo’n belangrijke plaats hebben in beleid?
Kanttekeningen van modellenmakers zelf.

De doorrekening die het LEI maakte van het landbouwbeleid maakte gebruik
van twee verschillende modellen. In het statische model worden de directe
gevolgen voor bedrijven berekend van een daling van garantieprijzen en de
gedeeltelijke compensatie daarvan in de vorm van directe toeslagen. Daaruit
blijkt een forse daling van inkomens van boeren met gemiddeld 28 procent.
Omdat boeren hun bedrijf aanpassen aan de nieuw ontstane situatie, heeft
het LEI ook een tweede model gemaakt dat daar rekening mee houdt. Dat meer
dynamische model komt uit op een stuk lagere gemiddelde inkomensdaling in
de hele landbouw van bijna vijf procent. Maar de verschillen tussen
sectoren zijn groot. Prijzen die boeren krijgen voor vleeskalveren zouden
flink hoger kunnen worden, maar de melkveehouderij krijgt volgens de
berekening van het LEI te maken met een forse daling van de prijs van melk
van 28 procent.

Toetjes

Die sterke daling blijkt niet uit een model van dr Roel Jongeneel en dr
Alison Burrell van de leerstoelgroep Agrarische economie en
plattelandsbeleid. Zij maakten eerder al samen met het Franse
onderzoeksinstituut INRA een modelstudie naar de gevolgen van hervorming
voor het EU-zuivelbeleid in opdracht van eurocommissaris Fischler. Volgens
hen zal de prijsdaling van melk in 2014 uiteindelijk maar 15% zijn. Het
verschil met het LEI-model zit vooral in een uitgebreidere modellering. Het
model van Burrell en Jongeneel simuleert de prijs van melk door de hele EU-
markt voor zuivelproducten te modelleren, het LEI doet dat niet. Daardoor
berekent het LEI-model de daling van prijzen simplistischer, vindt Burrell.
Ook gebruikten Burrell en Jongeneel andere scenario’s dan het LEI. Burrell
gaat uit van een uitbreiding van melkquota van drie procent, wat iets
minder is dan voorgesteld door de Europese Commissie. Ook gaat hun model
uit van een stijging van de vraag naar melkproducten, waardoor de prijs van
melk stijgt. Consumenten zullen niet meteen meer melk gaan kopen als die
goedkoper wordt, geeft Burrell toe. Maar de vraag naar melk stijgt op de
langere termijn wel, onafhankelijk van welke interventie dan ook, door
hogere inkomens, een groeiende bevolking en de groeiende belangstelling van
consumenten voor harde en zachte kazen en verse producten als yoghurt en
toetjes. De melkverwerkende industrie produceert meer en meer van
dergelijke producten. Samen met de daling van interventieprijzen betekent
dit dat de prijs die boeren voor hun melk krijgen meer en meer wordt
bepaald door marktkrachten en minder door de interventieprijs van boter en
melkpoeder die de EU vaststelt, concluderen Burrell en Jongeneel.
Minister Veerman legt in een kamerbrief aan de Tweede Kamer zijn beleid uit
aan de hand van het model van het LEI, maar volgt de argumentatie van
Burrell en Jongeneel als het om de vermeende daling van de melkprijs voor
melkveehouders gaat. Toch zet dr Kees de Bont, projectleider van de LEI-
studie, vraagtekens bij de relativering die de minister bij zijn
modeluitkomsten. ,,Ook bij eerdere verlagingen van Brussel van de
interventieprijs voor granen en rundvlees volgde de marktprijs de
interventieprijs. Ik zie niet in waarom dat voor melk anders zou gaan. Ook
nu al kan een zuivelfabriek zich op andere producten richten, en het is
maar de vraag of mensen meer zuivel gaan kopen als die goedkoper wordt. De
inkomens van melkveehouders zullen zeker lager worden. Bij eerdere
hervormingen hebben rundveehouders en akkerbouwers dat al ondervonden, en
nu zijn de melkveehouders aan de beurt.’’
Toch stemt minister Veerman in met de hervorming van Fischler, zij het dat
hij de beslissing om de melkquota te verruimen uitstelt. Een uitbreiding
van de quota levert een hogere productie op en een verlaging van de prijs.
Veerman sluit niet uit bij de EU te vragen om uitstel daarvan tot 2006. De
Bont: ,,Het ministerie zegt eigenlijk: misschien dalen de prijzen voor
boeren niet met 28 procent, maar mocht dat wel zo zijn dan kunnen we de
uitbreiding van quota nog tegenhouden.’’
Andere belangen spelen ook een rol bij de instemming van de regering met
hervorming van het Europees landbouwbeleid. Bijvoorbeeld de veertig miljard
euro belastinggeld die Europeanen jaarlijks aan het landbouwbeleid moeten
bijdragen. Zeker met de uitbreiding van de Unie met Oost-Europa is dat op
de langere termijn onbetaalbaar. Maar ook de toegang van
ontwikkelingslanden tot de Europese markt is een argument. Ook daar zijn
modellen over gemaakt. In 2001 maakte dr Frank van Tongeren van het LEI
bijvoorbeeld een model waaruit bleek dat ontwikkelingslanden niet perse
gebaat zijn bij liberalisering. Weliswaar is in het algemeen liberalisering
gunstig voor ontwikkelingslanden, maar niet wanneer die landen op dit
moment afspraken hebben over gunstiger handelsvoorwaarden met de EU. Dat
relatieve voordeel zou verdwijnen door hervorming. Recent heeft het LEI
samen met de Erasmus Universiteit de gevolgen van de nieuwe WTO-ronde voor
de Nederlandse economie onderzocht. Omdat deze opdracht voor het ministerie
van Economische Zaken werd uitgevoerd werd er breder gekeken dan de
landbouwsectoren, en ook de gevolgen voor de industrie en diensten in kaart
gebracht.

Simplisme

Met al die modellen, en de verschillende uitkomsten ervan, rijst de vraag
hoe exact modellen een beeld van de toekomst kunnen geven en of ze wel als
rechtvaardiging van beleid gebruikt mogen worden. Het scherpst werd dat
onlangs in een column in de Volkskrant verwoord door prof. Ronald Plasterk,
hoogleraar moleculaire genetica. Hij toonde, als bèta, onbegrip voor het
geloof van gamma-wetenschappers in cijfers en verbaasde zich erover dat een
model van het Centraal Planbureau de plannen van de regering in wording op
kon blazen. ,,Ik ben bang dat economen zelf ook niet geloven dat je uit kan
rekenen wat de plannen van vandaag betekenen voor de economie over vier
jaar. [..] Economie is geaggregeerde psychologie, het is de weergave van
het gedrag van miljoenen mensen, en het is negentiende-eeuws simplisme om
te denken dat je dat zou kunnen voorspellen.’’
Alison Burrell zegt dat kwantitatieve modellen maar één van de vele
bijdragen aan het proces van beleid maken zijn. ,,Ze maken gebruik van
regelmatigheden in het verleden en nemen aan dat die regelmatigheden ook in
de toekomst gelden, of passen die factoren aan als veranderingen in de
toekomst daarvan al te voorzien zijn. Maar natuurlijk kent niemand de
toekomst, dus voorspellingen kloppen nooit. Wat een model wel kan is
verschillende scenario’s vergelijken en een rangorde aangeven van opties
aan de hand van de criteria van de beleidsmaker. Verder is een model zo
goed als de aannames die erin zitten. Beleid dat niet uitgaat van modellen
gaat ook uit van aannames, namelijk die van de beleidsmaker, en die worden
vaak niet uitgesproken. Een voordeel van een model is dat de aannames
uitgesproken worden. Beleidsmakers moeten van modelmakers vragen hun
aannames duidelijk weer te geven, en modelbouwers hebben zich daar aan te
houden.’’
Ook Frank van Tongeren ziet modellen als een element in besluitvorming,
maar wel als een nuttig element. ,,Modellen maken problemen
kwantificeerbaar en zetten ze in een consistent kader. Het is beter iets te
kwantificeren dan helemaal niets doen.’’ Van Tongeren geeft aan dat
Nederland een traditie hoog te houden heeft in het maken van modellen.
Andere landen kennen bijvoorbeeld niet een organisatie als het Centraal
Planbureau met een dergelijke grote rol in beleidsvorming. De
verantwoordelijkheid voor het gebruik van modellen blijft volgens Van
Tongeren liggen bij de gebruiker, in dit geval minister Veerman. Maar er
zit een verschil in de manier waarop onderzoekers en beleidsmakers naar een
model kijken, merkt Van Tongeren op. Onderzoekers kijken of een model klopt
met de aannames waar het van uitging, beleidsmakers kijken er met een
politieke bril naar en willen weten of hun beleid de gewenste gevolgen zal
hebben.

Joris Tielens

Re:ageer