Organisatie - 19 oktober 2006

Het korte leven van de autotrekker

De trekker is niet meer weg te denken uit de Nederlandse landbouw. Voor de Tweede Wereldoorlog vindt menig Nederlandse boer het landbouwwerktuig echter veel te duur en verovert een curieus werktuig het platteland: de Wageningse autotrekker.

Pas rond 1964 is het pleit definitief beslecht. Nimmer zou het aantal werkpaarden in Nederland meer uitstijgen boven het aantal trekkers. De landbouw werd nooit meer de oude; de boer had zijn grootste vriend ingewisseld voor een machine. De begrippen 'kromme dissel' en 'voerzak' worden vervangen door 'aftakas' en 'landbouwdiesel'.
In Wageningen bestaat al vroeg belangstelling voor de landbouwmechanisatie. In 1905 wordt aan de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool een Instituut voor Landbouwwerktuigen verbonden, een vroege voorloper van het recent opgeheven IMAG (Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen). Dat terwijl de eerste trekkers pas rond 1920 in Nederland verschijnen.
Prof. Maurits Frans Visser (1875-1949), hoogleraar Landbouwwerktuigkunde, afwatering van de bodem en polderbemaling, werpt zich al spoedig op de voorlichting en het onderzoek van de mechanisatie. Vele gebruikers zijn immers nog onkundig van de gevaren die hen bedreigen. Verhalen over berijders die hun ‘op hol geslagen' werktuig met ho-roepen probeerden te stoppen en het gevaarte uiteindelijk tot stilstand brengen tegen de hooiberg, gonzen over het platteland. Visser onderzoekt de toedracht van ernstige ongelukken met trekkers en publiceert zijn bevindingen ter lering in de landbouwbladen.
Ook voor de Nederlandse taal valt de bijdrage van professor Visser niet te onderschatten. Doordat de meeste werktuigen uit Engeland of Amerika afkomstig zijn, dreigt het woord ‘tractor’ in de Nederlandse taal te worden opgenomen. Visser verzet zich hier fel tegen en slaat geen spreekbeurt over om er op te hameren dat we toch vooral het woord ‘trekker’ moeten gebruiken en niet ‘tractor’ of het eveneens populaire ‘motorploeg’.
De trekker speelt voor de oorlog nog een beperkte rol. Visser ontdekt in de jaren dertig dat er behoefte bestaat aan motorische trekkracht die goedkoper is. In navolging van de Beemster veehouder Koeman die een oud T-Fordje voor een paar tientjes verbouwde tot grasmaaier, ontwerpt Visser de zogenaamde 'Wageningse autotrekker’. De carrosserie van een afgedankte auto wordt hiertoe grotendeels gesloopt en een kettingoverbrenging op de achteras bezorgt de autotrekker de benodigde trekkracht.
Het exemplaar dat Visser in 1936 laat bouwen, trekt veel bekijks en krijgt navolging onder boeren, smeden en andere handige jongens. In 1940 rijden er al meer dan duizend autotrekkers rond, terwijl er tot dat jaar niet meer dan 3600 echte trekkers zijn geïmporteerd. De goedkope autotrekker – al voor 500 gulden te koop terwijl een lichte trekker al gauw rond de 1500 gulden kost - is vooral populair op weidebedrijven voor het relatief lichte en snelle werk.
Na de Tweede Wereldoorlog verliest de autotrekker zijn aantrekkingskracht, omdat ‘echte’ trekkers goedkoper worden. Vanaf 1950 begint de trekker zelfs aan een ware opmars. Trekkerbezit groeit uit tot een statussymbool.
Bij aanschaf en onderhoud maken velen gebruik van het in Wageningen samengestelde ‘Handboek voor Landbouwwerktuigen en Trekkers'. Hierin staat bijvoorbeeld alles over een probleem waarvan velen bij het inruilen van het paard voor altijd verlost dachten te zijn: het steigeren.

Re:ageer