Wetenschap - 1 januari 1970

‘Het is te laat om helemaal uit te vliegen’

Geld is voor de excellente Wageningse geneticus prof. Maarten Koornneef een belangrijke reden om de overstap te maken naar het Max Planck instituut in Keulen. Het wordt in Nederland steeds moeilijker om geld te krijgen voor fundamenteel, nieuwsgierigheidgedreven onderzoek. ,,De spoeling wordt steeds dunner. Misschien valt het tegen, maar ik heb de indruk dat ik in Duitsland meer armslag krijg om mijn eigen onderzoekslijn vorm te geven.’’

,,,Verrassend? Nou voor ingewijden was het geen verrassing. Al anderhalf jaar geleden kwam de benoemingcommissie met het voorstel mij als directeur te benoemen. Ik heb aardig de tijd gehad om aan het idee te wennen en mijn overgang te regelen. Toch waren er vorige week nog mensen die geschrokken reageerden op het bericht van mijn vertrek. Ze realiseerden zich kennelijk niet dat het er nu ook echt van komt.’’
Maarten Koornneef zit aan een verdacht opgeruimde tafel in zijn werkkamer op het Botanisch Centrum. Straks neemt hij nog een examen af en heeft hij nog een werkbespreking. Morgen reist hij in alle vroegte af naar zijn nieuwe werkplek bij het gezaghebbende Max Planck Instituut voor Plantenveredeling in Keulen, waar hij voortaan vier dagen in de week als directeur werkzaam zal zijn. Het is moeilijk je de rasonderzoeker Koornneef, die vooral met hartstocht praat over onderzoek aan kleurenblinde planten of de wijze waarop de bloei en kiemrust genetisch geregeld is, voor te stellen als directeur. Hij relativeert: ,,Ik word wel directeur, maar dat kun je niet vergelijken met een directeur van een instituut of een kenniseenheid. Een echte managementfunctie is niks voor mij, maar bij Max Planck mag je je nog bemoeien met de dagelijkse gang van zaken in de wetenschap. Er zijn wel wat beheerstaken, maar je zit vooral bovenop het onderzoek.’’

Krimpsituatie
Als persoonlijk hoogleraar bij de leerstoelgroep Erfelijkheidsleer, die min of meer vrijgesteld is van de bestuurlijke taken, had hij toch al de ideale wetenschappelijke baan? Over zijn belangrijkste overweging om over te stappen naar het Max Planck instituut te maken hoeft Koornneef niet lang na te denken. ,,Ik krijg daar de mogelijkheid om relatief vrijuit mijn eigen onderzoekslijn te volgen en daar ook eens een aardige hoeveelheid geld aan te besteden. Het is zeker niet zo dat ik hier uitgekeken ben. Ik heb ook genoeg waardering gekregen, maar op een of andere manier is het niet gelukt om die wetenschappelijke waardering ook echt te vertalen in onderzoeksgelden. Dat is misschien de enige frustratie die ik heb. Dat je leuk en belangwekkend vervolgonderzoek hebt liggen voor wel drie aio’s, maar dat je echt het vuur uit je sloffen moet lopen om er uiteindelijk één in de wacht te slepen. Ik wil niet te veel klagen, maar we zitten hier toch in een krimpsituatie’’, zegt Koornneef.
Hij heeft al veel goede onderzoekers in zijn directe omgeving zien vertrekken. Bij een van de laatste bezuinigingsrondes leek de excellente onderzoeker er ook zelf aan te moeten geloven. ,,Op een informatiebijeenkomst werd verteld dat onze leerstoelgroep zou worden afgeschoten. Pas later realiseerde men zich dat ik formeel onder die groep viel en werd duidelijk dat ik natuurlijk kon blijven. Ik ben ook nooit echt benauwd geweest voor mijn eigen positie, maar echt blij word je er natuurlijk niet van’’.
In Keulen is het klimaat toch anders, verwacht Koornneef. Hij wordt een van de vier onderzoeksdirecteuren van het instituut en krijgt in principe de vrije hand om vijf onderzoeksleiders aan te stellen. ,,Het is de traditie dat je voorganger een leeg huis achterlaat, dat je die zelf mag inrichten. Ik neem twee door de wol geverfde senior onderzoeksleiders van mijn voorganger over en mag zelf drie nieuwe onderzoeksleiders aanstellen. Daarnaast is er een flinke hoeveelheid vrij te besteden geld om los volk, PhD-studenten en postdocs, aan te stellen. Ik was eigenlijk al te oud en had natuurlijk hier rustig kunnen afbouwen, maar krijg nu de kans nog 10 jaar onderzoek te doen op het scherpst van de snede. Het betekent wel dat ik vol aan de bak zal moeten, maar dat heb ik er graag voor over’’, aldus Koornneef.

Zandraket
Het onbeduidende onkruidje zandraket (Arabidopsis) heeft een sleutelrol gespeeld in de loopbaan van Koornneef. Het onkruidje is nu dé modelplant voor genetici, moleculair biologen en plantenveredelaars. Toen hij in 1976 met zijn promotie-onderzoek aan de zandraket begon, leek de aandacht voor het plantje al een beetje over het hoogtepunt heen. ,,Ik heb aardig naam gemaakt met mijn onderzoek aan Arabidopsismutanten. Nu kun je via internet van ieder gen een mutant bestellen’’, zegt Koornneef. Dat het Arabidopsis-onderzoek zo’n vlucht heeft genomen, komt volgens hem omdat het werk aan de basisgenetica van de plant opeens een ideale aangrijpingspunt vormde voor de moleculaire genetica. De laatste jaren is Koornneef zich steeds meer gaan verdiepen in de natuurlijke variatie van de zandraket. De kruisingen tussen plantjes uit Europa en de Kaap Verdische Eilanden, waarmee een Spaanse postdoc in Wageningen aan de slag ging, waren volgens Koornneef een ‘gouden greep’. ,,We zijn nu in staat de genetische basis achter complexe eigenschappen op moleculair niveau te analyseren. Het gaat dan om kwantitatieve eigenschappen als de bloemgrootte of de hoeveelheid bladeren, die in de veredeling van planten zo belangrijk zijn. In Keulen wil ik die onderzoekslijn verder tot ontwikkeling brengen’’.
Koornneef heeft er voor gekozen de banden met Wageningen niet door te snijden, maar een dag in de week als hoogleraar aan de leerstoelgroep Erfelijkheidsleer verbonden te blijven. ,,Ik zit al te lang in Wageningen. Ik heb hier 35 jaar doorgebracht, het is te laat om helemaal uit te vliegen. Ik zal in Duitsland ook wel een beetje de minister van buitenlandse zaken van het Wageningse plantenonderzoek worden. We blijven hier wonen en ik krijg in Keulen een flatje. Als het instituut aan de andere kant van Duitsland gelegen had, had ik het waarschijnlijk niet gedaan. Ik vind het toch moeilijk echt afstand van Wageningen te nemen’’

Gert van Maanen


Curriculum Vitea Maarten Koornneef

1968-1974: Studie Plantenveredeling in Wageningen
1974-1976: Plantenveredelaar bij Vandenberg Seeds in Naaldwijk
1976-1992: Onderzoeker bij de vakgroep Erfelijkheidsleer in Wageningen
1982: Promotie op het proefschrift: The genetics of some plant hormones and photoreceptors in Arabidopsis thaliana
1992: Persoonlijk hoogleraar bij de vakgroep Erfelijkheidsleer in Wageningen
1995: Silver Medal Award of the International Plant Growth Substances Association
1996: Corresponding Membership Award of the American Society of Plant Physiologists
1997: Gekozen tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)
1998: Gekozen tot buitenlands lid van de National Academy of Sciences van de Verenigde Staten

Re:ageer