Wetenschap - 1 januari 1970

Het dier of het doel?

Beslissingen over dierproeven moeten op de gebruikelijke manier worden genomen, namelijk in de openbaarheid en met inspraak en bezwaarprocedures. Dat hoort zo in een rechtsstaat, vinden twee Wageningse onderzoekers die de Wet op de dierproeven evalueerden. Wetenschappers die werken met proefdieren, vrezen echter dat openheid de nekslag voor het biomedisch onderzoek in Nederland zal zijn.

Een rat in een zwemtest. / foto Proefdiervrij

Het was even schrikken voor jurist prof. Bernd van der Meulen en filosoof dr. Henk van den Belt. Ze dachten een keurig onderzoek uitgevoerd te hebben, maar werden ineens door collega-wetenschappers voor ‘Volkertjes’ uitgemaakt. De KNAW schreef een brief aan de minister met kritische kanttekeningen bij hun onderzoek. Ook uit andere hoeken van proefdierkundig Nederland kwam een storm van protest. De dierproefonderzoekers waren op z’n zachtst gezegd niet blij met de aanbevelingen die beide onderzoekers deden in hun evaluatie van de Wet op de dierproeven.
Samen met collega’s uit Utrecht en Nijmegen voerden Van der Meulen en Van den Belt in opdracht van het ministerie van VWS een evaluatie uit van die wet. Daarin is sinds 1980 geregeld dat dierproeven pas mogen worden uitgevoerd als een dierexperimentencommissie (DEC) een ethische toets heeft uitgevoerd. Die DEC wordt ingesteld door de onderzoeksinstelling zelf. De DEC-leden moeten een ethische afweging maken tussen het belang van het voorkomen van dierenleed, en het belang dat de uitkomst van onderzoek kan hebben voor de mens. Muizen gebruiken voor onderzoek naar de bestrijding van kanker is bijvoorbeeld meer verantwoord dan varkens opensnijden om te zien of een trendy sportdrankje wel goed opgenomen wordt.
Volgens de Europese Dierproevenrichtlijn moet er een autoriteit zijn die ingrijpende dierproeven van tevoren beoordeelt. Je zou verwachten dat dit in Nederland de DEC is. Volgens de rechter heeft de DEC echter geen beslissingsbevoegdheid. Dat heeft in Nederland tot gevolg dat de adviezen van de DEC niet vallen onder de Wet openbaarheid van bestuur. Er is dan ook geen mogelijkheid tot inspraak of bezwaar.

Poldermodel
Dat is eigenlijk raar, concludeerden de rechtskundigen en filosofen in hun evaluatie. Op alle andere terreinen in de samenleving waar voor activiteiten toestemming vooraf nodig is, mogen beslissingen pas genomen worden als belanghebbenden de mogelijkheid van inspraak hebben gehad. Zoals bij bouwvergunningen of milieuvergunningen. Een uitzondering voor de procedures met betrekking tot dierproeven is eigenlijk niet goed te beargumenteren, zegt Bernd van der Meulen.
Omdat de Wet op de dierproeven is geschreven in de jaren zeventig, is het wel te verklaren. De wet is een kind van zijn tijd, zegt Van der Meulen. Het poldermodel vierde hoogtij. In de wet, zo schrijven de onderzoekers, lijkt een diep geloof geworteld te zijn dat een uitwisseling van standpunten tussen verstandige mensen zal leiden tot evenwichtige resultaten. Daar past de zachte vorm van toezicht door zelf aangestelde interne toezichthouders bij. Maar er is sindsdien nogal wat veranderd in de Nederlandse wetgeving. Het bestuursrecht won aan invloed ten opzichte van het strafrecht. Burgers hebben tegenwoordig in veel meer zaken inspraak. Die ontwikkeling ging voorbij aan de verouderde Wet op de dierproeven.
Die juridische leemte moet opgevuld worden, concluderen de onderzoekers. Dat kan door, zoals Van der Meulen het zegt, ‘gewoon te doen’. Dat wil zeggen de gewone bestuursrechtelijke regels ook op dierproeven toe te passen. Dat is niet alleen in het belang van het juridische systeem, maar ook van de proefdieren en van de onderzoekers. Van der Meulen: ‘Zoals meestal bij bestuursbesluiten het geval is, staan ook bij dierproeven twee subjectiviteiten tegenover elkaar, namelijk het belang van onderzoek en het belang van proefdieren. Juristen zijn dan gewend beiden de mogelijkheid te geven zich te verdedigen. Maar dieren kunnen niet praten. Een algemeen-belangorganisatie zoals de Dierenbescherming zou dat wel namens hen kunnen doen. In een procedure op tegenspraak kan het debat zich verdiepen zonder dat je het eens hoeft te worden. Uiteindelijk hakt de beslisser de knoop door. Als het moet is dat in laatste instantie de rechter, en niet zoals nu de politiek. Zou die politiek bijvoorbeeld het primatenonderzoek zo zondermeer hebben afgeschaft als er een duidelijk rechterlijk oordeel had gelegen dat het gerechtvaardigd is vanwege de grote belangen die ermee zijn gemoeid?’

‘Openheid leidt tot vertraging, maar dat is de prijs die de rechtsstaat vraagt’
Hoe de inspraak geregeld moet worden maakt Van der Meulen niet zoveel uit. In praktijk zou dat op twee niveaus kunnen. De DEC zou de wettelijke bevoegdheid kunnen krijgen om te beslissen, maar dan zou op dat niveau inspraak mogelijk zijn, wat praktisch gezien lastig is. Misschien is het handiger om de beslissing op basis van een ethisch advies van de DEC door een bestuursorgaan te laten nemen dat onder verantwoordelijkheid van de minister valt.

Bedreiging
Een dergelijke gang van zaken zou het einde van het proefdieronderzoek in Nederland betekenen, reageert de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in een brief aan minister Hoogervorst. ‘De evaluatie geeft een volstrekt onvolledig beeld van de maatschappelijke effecten van de wet’, schrijft het bestuur van de KNAW. Als allerhande actiegroepen inspraak kunnen krijgen over dierproeven, levert dat veel administratieve lastendruk op, wat onderzoeksprojecten zou vertragen. Ook als de rechter de dierenrechtenorganisatie geen gelijk geeft, kost het toch tijd. Bovendien vreest de KNAW voor de veiligheid van individuele onderzoekers. Dierenactivisten zouden niet terugschrikken voor bedreigingen of persoonlijke aanvallen op proefdieronderzoekers. Al met al zou het gevolg van inspraak zijn dat Nederlandse onderzoekers niet meer kunnen concurreren met buitenlandse collega’s en dat expertise zal verdwijnen.
Drs Paul Kroon, proefdierdeskundige bij de Animal Sciences Group, is het eens met de KNAW. ‘Er zou inderdaad een enorme vertraging in het onderzoek komen. Dan zouden we niet meer kunnen werken. Er is ook nogal wat twijfel geuit over de wetenschappelijke kwaliteit van de evaluatie. Zo waren er geen bronvermeldingen en leek de vereniging Proefdiervrij een grote stem gehad te hebben. Maar proefdierkundig Nederland is door de evaluatie wel een spiegel voorgehouden. We hebben wel de plicht ons te verantwoorden. Maar ik denk dat de DEC op dit moment goed werkt. Er wordt een goede ethische afweging in de DEC gemaakt. Ook bijvoorbeeld over de vraag of het wel goed is om onderzoek te doen naar voeding waardoor een kip nog sneller panklaar kan groeien. En de vergaderingen zelf zijn niet openbaar, maar de jaarverslagen van de DEC wel. We zijn ook niet bang voor openbaarheid, maar wel voor vertraging.’
Maar volgens dr Henk van den Belt, de filosoof die aan de evaluatie meewerkte, komt de DEC nauwelijks toe aan een echte ethische afweging. ‘En dat is de DEC niet te verwijten. Het is gewoon erg lastig om in de vertrouwelijkheid van de DEC een ethische afweging te maken. En het is de vraag wat een ethische afweging in beslotenheid waard is. Die afweging wordt pas wat waard als hij openbaar is. Ik zou er daarom voor pleiten om de DEC alleen maar te vragen of het proefdieronderzoek wel zorgvuldig opgezet is. En of hetzelfde onderzoek niet met minder dieren toe kan.’ Van den Belt kan het weten, want hij zit zelf in de DEC van Wageningen UR.

Hypocriet
Dr. Gerrit Alink van toxicologie zat tot twee jaar terug ook in de DEC. Hij kan zich boos maken om het idee dat de afweging van de DEC openbaar zou moeten zijn. ‘Het zou een ramp zijn voor het onderzoek. Nog los van onze positie in de concurrentie met het buitenland, wordt er dan onevenredig veel aandacht gegeven aan dierproeven. Bij het biefstukje bij de slager stelt niemand vragen. De DEC maakt zeer zorgvuldige afwegingen tussen het nut van een proef en het ongerief voor een dier. Ik vind het hypocriet om inspraak te eisen en zo onderzoek onmogelijk te maken. Dat zou hetzelfde zijn als een multinational die antiglobalisten in haar bestuur moet toelaten. Dan kan er niks meer.’
Bernd van der Meulen vindt dat er een vertekend beeld bestaat over de Wet openbaarheid van bestuur. ‘Die wet geeft een genuanceerd afwegingskader voor beslissingen over openbaarmaking of bescherming van gegevens. Persoonlijke gegevens over onderzoekers en bedrijfsvertrouwelijke gegevens over onderzoek behoren niet tot het soort gegevens waartoe iedereen toegang kan krijgen. Maar je moet natuurlijk wel bereid zijn de discussie aan te gaan. Ik begrijp ook dat dat meer kosten met zich meebrengt. Maar het is belangrijk dat zichtbaar wordt hoe afwegingen eruit zien en welke argumenten er gebruikt worden. Net als overal moet de motivering duidelijk zijn, en moet er de mogelijkheid zijn daar tegenin te gaan. Dat is de prijs die de rechtsstaat vraagt.’

Joris Tielens

Re:ageer