Wetenschap - 22 november 2001

Het Debat: Werkdruk bij DLO

Het Debat: Werkdruk bij DLO

'Feestjes, cadeautjes of blije ronkende tjakka-bijeenkomsten werken niet'

De werkdruk bij DLO is hoger dan bij andere bedrijven, constateert een onderzoek van TNO. Niet een gebrek aan menskracht, maar een gebrekkige organisatie veroorzaakt de klachten. De medewerkers en zijn onvoldoende betrokken bij het beleid van de instituten en hebben daardoor het gevoel geen grip te hebben op hun toekomst. Medewerkers zijn zeer betrokken bij hun werk, maar hebben weinig binding met de instituten. Herkenbare kritiek?

Henry Boerrigter, voorzitter ondernemingsraad ATO: "Ik denk dat het constante knokken om geld binnen te slepen de grootste oorzaak is van werkdruk, zeker hier bij ATO. Ik schat dat zo'n tien procent van de initiatieven succes heeft. Het is keihard vechten om aan het werk te blijven. Die onveilige situatie zorgt voor werkdruk, ook in mijn geval, ik heb zelf ook een acquisitietaak. Je moet je de hele dag afvragen: moet ik daar tijd aan besteden, of zal ik die klant nog even bellen.

Te weinig clubgevoel? Ja, daar herken ik wel wat in. Je kunt mensen 's nachts wakker maken voor hun onderzoek, maar ze zullen niet zo snel activiteiten ontplooien die vooral ten goede komen aan de instelling en geen direct persoonlijk voordeel opleveren. Maar ik geloof niet dat dat specifiek geldt voor ons. Dat is inherent aan kennisinstellingen. Het zit een beetje ingebakken in de wetenschappers, die willen vooral lekker creatief bezig zijn in hun eigen domein.

Of het erg is dat het clubgevoel ontbreekt? Ik denk wel dat het zou helpen als er een breed gevoelde trots zou zijn. Zeker als je wilt proberen om meerwaarde te bereiken door samen te werken. Maar vraag me niet hoe het management dat voor elkaar moet krijgen. Rust rondom het geld en goede werkomstandigheden, omstandigheden waarin mensen kwaliteit kunnen leveren, zijn in ieder geval belangrijk. Feestjes, cadeautjes of blije ronkende tjakka-bijeenkomsten zijn het zeker niet."

Dr Piet Derikx, afdelingshoofd Geavanceerde Systemen Plant en Energie, IMAG: "Als je de huidige situatie vergelijkt met die van een aantal jaar geleden is er inderdaad nogal wat veranderd. De relatieve zekerheid dat je je onderzoek kon voortzetten als de kwaliteit maar goed was, is er niet meer. Het is nu meer van project naar project rennen. Er zijn wel mensen die daar moeite mee hebben, ik schat enkele tientallen procenten.

Ik zie ook dat veel mensen niet betrokken zijn bij het beleid. Veel algemene stukken sluiten slecht aan bij het werk van de individuele medewerker, maar ik geloof niet dat dat voor veel mensen een grote invloed heeft op de werkdruk die ze ervaren. Veel mensen zeggen: laat mij mijn project maar doen, jullie zorgen maar voor het beleid.

De rol die ik voor mezelf zie weggelegd, is aan de ene kant proberen een vertaling te maken van het algemene beleid van het instituut naar de werksituatie van de mensen van mijn afdeling, en aan de andere kant aandacht vragen voor problemen van de werkvloer bij het hogere management. Ik denk dat er bij de begeleiding van managers zeker ruimte is voor verbetering. De managers zijn in de regel afkomstig uit de onderzoekswereld en hebben geen managementopleiding gehad.

Zelf heb ik wat dat betreft wel positieve ervaring met coaching. Ik heb bij mijn aanstelling afgesproken met mijn directe chef dat wij regelmatig tijd vrij zouden maken om te praten over mijn eigen ontwikkeling. Die coaching is erg belangrijk.

De belangrijkste remedie tegen werkdruk? Tja, daar heb ik niet zomaar een pasklare oplossing voor. Voor een deel zit de oplossing erin dat we de tering naar de nering moeten zetten. Afdelingen waar onvoldoende werk voor te vinden is, zullen moeten krimpen. Maar het zal zo blijven dat wij permanent op zoek moeten naar onderzoeksfinanciering. Dat brengt onzekerheid met zich mee, maar daar zullen we mee moeten leren leven."

Drs Martin de Swaaf, onderzoeker ATO: "Weinig clubgevoel? Ik denk dat in mijn omgeving een belangrijke verklaring daarvoor is dat veel mensen een tijdelijk contract hebben. Die weten dat ze het voor hun verdere carri?re toch ergens anders moeten zoeken en hebben dus minder binding met het instituut. Ik zelf heb nog een contract voor anderhalve maand, dan ga ik ATO ook verlaten. Er lopen hier veel jonge onderzoekers, en het verloop van vaste mensen is niet erg groot, dus de mogelijkheden voor doorgroei zijn beperkt.

Ik ben het er niet mee eens dat het beleid niet goed wordt gecommuniceerd. Over die bestuurswisseling van pas werden wij goed op de hoogte gesteld. Dat het allemaal wat vaag blijft, is volgens mij omdat het ook voor de beleidmakers nog erg vaag is."

Dr Ren? Smulders, Plant Research International. "Dat de werknemers van DLO zich verbonden voelen met hun afdeling, maar niet met hun instituut, dat herken ik wel. Het niveau waarop de mensen hier bezig zijn is dat van de cluster of de businessunit, niet met dat van Plant Research, laat staan met Wageningen UR. Niemand weet hier bijvoorbeeld precies wat de vorming van de kenniseenheden gaat betekenen.

Werkdruk. Herken ik ook. Onze businessunit heeft een aantal workshops over stress georganiseerd, en daarbij klaagden vooral onderzoekers daarover. Het kwam door de versnippering door teveel projecten en de extra moeite die ze moeten doen voor de acquisitie. 'De kwaliteit lijdt onder de werkdruk', hoor je veel. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de overschakeling naar een marktgerichte organisatie. Veel van onze mensen zijn altijd bezig geweest met het doen van zo goed mogelijk onderzoek. Nu moeten ze overstappen op het doen van onderzoek waarnaar behoefte is. We proberen nu mensen te leren hoe ze met de stress moeten omgaan. Hoe ze prioriteiten moeten stellen, bijvoorbeeld."

Korn? Versluis en Willem Koert

Tekening Henk van Ruitenbeek

'Ik denk dat het constante knokken om geld binnen te slepen de grootste oorzaak is van werkdruk'

'Weinig clubgevoel doordat veel mensen een tijdelijk contract hebben'

Re:ageer